Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:812

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
26/01541
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:18 lid 3 AwbArt. 29 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek tegen niet-behandelde rechters in belastingzaak

Verzoeker heeft in een cassatieprocedure in een belastingzaak een wrakingsverzoek ingediend tegen twee leden van de Hoge Raad. Deze leden waren echter niet belast met de behandeling van de onderliggende zaak. De Hoge Raad heeft het wrakingsverzoek beoordeeld aan de hand van de toepasselijke wettelijke bepalingen uit de Awb en AWR.

De leden van de Hoge Raad tegen wie het verzoek was gericht, berusten niet in de wraking en hebben afgezien van een hoorzitting. De advocaat-generaal heeft eveneens afgezien van het uitbrengen van een conclusie. De Hoge Raad oordeelt dat het wrakingsverzoek kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het verzoek geen betrekking heeft op rechters die bij de zaak betrokken zijn.

Daarom wordt het wrakingsverzoek zonder behandeling ter zitting afgewezen en niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing is genomen door de vierde kamer van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de gewraakte rechters niet bij de zaak betrokken waren.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
VIERDE KAMER
Nummer26/01541
Datum29 mei 2026
BESLISSING
in de zaak van
[verzoeker] te [plaats] (hierna: verzoeker)
betreffende het door verzoeker ingediende verzoek tot wraking van de hierna te noemen leden van de Hoge Raad.

1.De procedure

1.1
Verzoeker heeft beroep in cassatie ingesteld in de zaak die bij de belastingkamer van de Hoge Raad is ingeschreven onder nummer 26/00200 (hierna: zaak 26/00200).
1.2
Per brief van 22 april 2026 heeft verzoeker in zaak 26/00200 de wraking verzocht van G. de Groot en M.E. van Hilten, beiden lid van de Hoge Raad. Het wrakingsverzoek is bij de Hoge Raad ingeschreven onder nummer 26/01541.
1.3
De twee leden van de Hoge Raad tegen wie het wrakingsverzoek is gericht, hebben meegedeeld dat zij niet in de wraking berusten en dat zij afzien van de mogelijkheid te worden gehoord.
1.4
De advocaat-generaal W.L. Valk heeft meegedeeld af te zien van het nemen van een conclusie.

2.Beoordeling van het wrakingsverzoek

2.1
Op grond van art. 8:15 Awb Pro kan elk van de rechters die een zaak behandelen, door een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Ingevolge art. 29 AWR Pro is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op de behandeling van het beroep in cassatie in belastingzaken.
2.2
Ingevolge artikel 8:18 lid 3 Awb Pro kan de meervoudige kamer in een wrakingszaak, indien het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, zonder toepassing te geven aan het eerste en tweede lid van artikel 8:18 Awb Pro beslissen het verzoek zonder behandeling ter zitting af te doen. Van kennelijke niet-ontvankelijkheid is onder meer sprake als het verzoek geen betrekking heeft op een met de behandeling van de zaak belaste rechter. [1]
2.3
De leden van de Hoge Raad tegen wie het wrakingsverzoek zich richt, zijn niet belast met de behandeling van zaak 26/00200. Om die reden zal de Hoge Raad het verzoek zonder behandeling ter zitting niet-ontvankelijk verklaren.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het verzoek tot wraking van G. de Groot en M.E van Hilten niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren F.J.P. Lock en G.C. Makkink, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier C.E. Cornet, en in het openbaar uitgesproken op
29 mei 2026.