Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
2 juni 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor bedreiging en mishandeling van zijn levensgezel. De benadeelde partij vorderde vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 BW Pro en de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.
De politierechter had de immateriële schadevergoeding vastgesteld op € 500,- vermeerderd met wettelijke rente, en het hof had dit vonnis bevestigd, behalve ten aanzien van een vrijheidsbeperkende maatregel. De Hoge Raad oordeelt echter dat het oordeel van de politierechter ontoereikend is gemotiveerd, omdat niet duidelijk is op welke grondslag uit artikel 6:106 BW Pro de vergoeding is gebaseerd en welke omstandigheden daaraan ten grondslag liggen.
Deze onvoldoende motivering leidt ertoe dat ook de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 36f Sr niet in stand kan blijven. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof voor zover het de immateriële schadevergoeding en de schadevergoedingsmaatregel betreft en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van de immateriële schadevergoeding en de schadevergoedingsmaatregel.