Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:836

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
25/02712
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:1 WvggzArt. 7:7 lid 1 WvggzArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking voortzetting crisismaatregel wegens gebrekkige medische verklaring

Betrokkene verzocht cassatie tegen de beschikking van de rechtbank Limburg van 2 mei 2025, waarin een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel werd verleend. De medische verklaring waarop de rechtbank haar beslissing baseerde, was opgesteld na een onderzoek door een onafhankelijke psychiater in aanwezigheid van meerdere derden, wat door betrokkene werd bekritiseerd.

De Hoge Raad overwoog dat het medisch onderzoek in beginsel in directe, privécontact tussen psychiater en betrokkene moet plaatsvinden, tenzij uitzonderingen zoals veiligheid of tolken dit verhinderen. De aanwezigheid van vijf personen en een open deur tijdens het onderzoek kan de privacy en betrouwbaarheid van het onderzoek aantasten. De rechtbank had moeten onderzoeken of de medische verklaring aan deze eisen voldeed en dit motiveren.

Omdat de rechtbank hier niet op was ingegaan, vernietigde de Hoge Raad de beschikking en verwees de zaak terug voor verdere behandeling. Klachten over onpartijdigheid van de psychiater werden niet behandeld. De overige klachten werden niet-ontvankelijk verklaard omdat ze niet van belang waren voor de rechtsontwikkeling.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug wegens onvoldoende motivering over de medische verklaring.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer25/02712
Datum5 juni 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: G.E.M. Later,
tegen
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT LIMBURG,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/03/341380 / BZ RK 25-872 van de rechtbank Limburg van 2 mei 2025.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
Bij beschikking van 20 januari 2025 heeft de rechtbank Limburg een verzoek van de officier van justitie om ten aanzien van betrokkene een aansluitende zorgmachtiging voor de duur van twaalf maanden te verlenen, afgewezen.
2.2
Op 29 april 2025 heeft de burgemeester van de gemeente Venray op de voet van art. 7:1 Wvggz Pro ten aanzien van betrokkene een crisismaatregel genomen, met een geldigheidsduur tot en met 2 mei 2025. Daarbij heeft de burgemeester een op 29 april 2025 afgegeven medische verklaring in aanmerking genomen.
2.3
De officier van justitie heeft op de voet van art. 7:7 lid 1 Wvggz Pro verzocht ten aanzien van betrokkene een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel te verlenen.
2.4
De rechtbank [1] heeft ten aanzien van betrokkene een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verleend tot en met 23 mei 2025.

3.Beoordeling van het middel

3.1
Onderdeel 1 van het middel klaagt dat de rechtbank de hiervoor in 2.2 bedoelde medische verklaring aan haar beslissing ten grondslag heeft gelegd, hoewel namens betrokkene voorafgaand aan en tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank kritiek is geuit op de wijze van totstandkoming van die medische verklaring. De onderdelen 1.1 en 1.3 voeren daartoe onder meer aan dat namens betrokkene is betoogd dat het medische onderzoek door de onafhankelijke psychiater (hierna: de psychiater), dat de basis heeft gevormd voor de medische verklaring, heeft plaatsgevonden in een ruimte waarin naast betrokkene en de psychiater nog vijf personen aanwezig waren, terwijl de deur naar de naastgelegen ruimte openstond, waardoor het gesprek tussen betrokkene en de psychiater aldaar hoorbaar was. In haar beschikking is de rechtbank niet kenbaar ingegaan op dit betoog van betrokkene, aldus de klacht.
3.2
Volgens vaste rechtspraak dient de psychiater het in de Wvggz voor de diverse vormen van verplichte zorg voorgeschreven medische onderzoek in beginsel aldus te verrichten dat hij de betrokkene in een direct contact, dat wil zeggen: in diens fysieke aanwezigheid, spreekt en observeert. Dit is slechts anders indien dat redelijkerwijs niet mogelijk is. [2]
Met het oog op de privacy van de betrokkene en de betrouwbaarheid van het medische onderzoek is uitgangspunt dat het onderzoek plaatsvindt in een gesprek tussen de betrokkene en de psychiater, buiten aanwezigheid van derden. Op dat uitgangspunt kunnen uitzonderingen worden gemaakt, bijvoorbeeld in het geval dat een tolk aanwezig is om het gesprek tussen de betrokkene en de psychiater te faciliteren, of in het geval dat een persoon aanwezig is met het oog op de veiligheid van de bij het gesprek aanwezige personen.
Wat betreft de aanwezigheid van derden bij het gesprek tussen de betrokkene en de psychiater geldt naast het voorgaande ook bij de toepassing van de Wvggz hetgeen de Hoge Raad [3] heeft beslist in het kader van de Wet Bopz (oud):
“3.1.4 Die zorg [voor de veiligheid; toevoeging Hoge Raad] kan meebrengen dat de betrokkene niet thuis wordt onderzocht, of slechts met beveiliging. Indien de betrokkene gedetineerd is, kan ervoor worden gekozen een of meer PIW’ers bij het onderzoek aanwezig te laten zijn.
3.1.5
Het onderzoek dient ertoe een beeld te krijgen van de psychiatrische toestand van de betrokkene. Daarmee is diens privacy in het geding. De aanwezigheid van beveiligers bij het onderzoek vormt dan ook een inbreuk op de privacy van de betrokkene. Daarnaast kan de aanwezigheid van beveiligers bij het onderzoek de verklaringen en het gedrag van de betrokkene beïnvloeden, wat gevolgen kan hebben voor de betrouwbaarheid van het onderzoek. Om deze redenen dient het onderzoek alleen dan met beveiliging plaats te vinden indien daartoe uit veiligheidsoogpunt een noodzaak bestaat.
3.1.6
Het is aan de onderzoekend psychiater om aan de hand van de over de betrokkene bekende gegevens te beoordelen of het meebrengen of toelaten van beveiliging noodzakelijk is. Als dat naar zijn of haar oordeel het geval is, is daarvoor niet de toestemming van de betrokkene nodig. Indien de betrokkene zich in de daarop volgende procedure over de aanwezigheid van beveiliging bij het onderzoek beklaagt, dient de rechter aan de hand van de stukken en het verhandelde ter zitting te beoordelen of de psychiater voldoende grond had om de noodzaak tot beveiliging aanwezig te achten, en zijn oordeel daarover te motiveren. Dat geldt ook indien de betrokkene bij gelegenheid van het onderzoek geen bezwaar heeft gemaakt tegen de aanwezigheid van beveiliging.”
3.3
Namens betrokkene is in de procedure bij de rechtbank aangevoerd dat het medische onderzoek van betrokkene door de psychiater is uitgevoerd in een ruimte waarin naast betrokkene en de psychiater nog vijf personen aanwezig waren, terwijl de deur naar de naastgelegen ruimte openstond, waardoor het gesprek tussen betrokkene en de psychiater aldaar hoorbaar was. In het licht van hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen, had de rechtbank moeten onderzoeken of, gelet op hetgeen aldus namens betrokkene is aangevoerd, de medische verklaring tot stand is gekomen met inachtneming van de uit de Wvggz voortvloeiende eisen, en haar oordeel daarover dienen te motiveren. Van een en ander blijkt niet uit de bestreden beschikking. De daarop gerichte klacht slaagt dan ook.
3.4
Onderdeel 1.4, dat klaagt over gebrek aan onpartijdigheid en onbevooroordeeldheid van de psychiater, kan gelet op het vorenstaande onbehandeld blijven.
3.5
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO Pro).

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg van 2 mei 2025;
- wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, F.R. Salomons, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op
5 juni 2026.

Voetnoten

1.Rechtbank Limburg 2 mei 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:5071.
2.Zie bijvoorbeeld HR 31 mei 2024; ECLI:NL:HR:2024:789, rov. 3.3; HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1075, rov. 3.2.
3.HR 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:814.