ECLI:NL:HR:2026:853

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
24/03191
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake naheffingsaanslag omzetbelasting 2014

Belanghebbende, een vennootschap onder firma, was geconfronteerd met een naheffingsaanslag omzetbelasting over de periode van 1 januari tot en met 31 december 2014. Na een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant werd het hoger beroep van belanghebbende door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch behandeld. Het hof handhaafde de naheffingsaanslag.

Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld, maar oordeelde dat deze niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden. De Hoge Raad vond geen aanleiding om de uitspraak te motiveren, omdat de klachten niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad zag ook geen reden om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het cassatieberoep ongegrond. Hiermee blijft de uitspraak van het hof in stand en is de naheffingsaanslag definitief bevestigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende is ongegrond verklaard, waardoor de naheffingsaanslag omzetbelasting 2014 ongewijzigd blijft.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/03191
Datum5 juni 2026
ARREST
in de zaak van
[X] V.O.F. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 10 juli 2024, nrs. 22/1031 tot en met 22/1033 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 19/2315 tot en met 19/2317) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.C.J. Schoenmakers, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.F. Faase als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.