Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:857

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
23/04801
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 20b lid 1 Wet op de vennootschapsbelasting 1969
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake vennootschapsbelasting aanslagen 2001-2005

Belanghebbende, een besloten vennootschap, was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over aan haar opgelegde aanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 2001 tot en met 2005, inclusief heffingsrente en een beschikking voor 2001. Na uitspraak van de Rechtbank Den Haag en het Gerechtshof Den Haag, stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Advocaat-Generaal concludeerde tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep. De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet, omdat beantwoording van de klachten niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest is gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Gerechtshof Den Haag bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer23/04801
Datum5 juni 2026
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 25 oktober 2023, nrs. BK-22/00017 tot en met BK-22/00021 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 20/2453, 20/2455, 20/2460, 20/2462 en 20/2464) betreffende aan belanghebbende voor de jaren 2001 tot en met 2005 opgelegde aanslagen in de vennootschapsbelasting, de daarbij voor het jaar 2001 gegeven beschikking als bedoeld in artikel 20b, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de daarbij voor de jaren 2002 tot en met 2005 gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.

1.Geding in cassatie

1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door I. de Roos, advocaat, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
1.2
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 9 augustus 2024 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. [2] Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.