Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Hoge Raad
Belanghebbende, een besloten vennootschap, was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over aan haar opgelegde aanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 2001 tot en met 2005, inclusief heffingsrente en een beschikking voor 2001. Na een uitspraak van de Rechtbank Den Haag volgde hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag, dat op 25 oktober 2023 uitspraak deed.
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen het arrest van het hof. De Advocaat-Generaal concludeerde op 9 augustus 2024 tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep. De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest.
De Hoge Raad motiveert zijn oordeel niet inhoudelijk, omdat de klachten niet relevant zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie. Er is geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Het arrest is op 5 juni 2026 in het openbaar gewezen door de Hoge Raad, met vice-president Van Hilten als voorzitter.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Gerechtshof Den Haag blijft in stand.