3.2.1Overeenkomstig de tenlastelegging is onder 3 ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“Hij op of omstreeks 5 juni 2012 te [plaats] , in elk geval in Nederland, een brief van hem, verdachte, en/of [A] BV aan woningcorporatie De Woonplaats zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, verdachte, valselijk en/of in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - in die brief vermeld dat [A] BV geen vergoeding van [B] heeft ontvangen, die gerelateerd is aan door De Woonplaats afgesloten derivaten en/of leningen, althans woorden van die aard en/of strekking, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken.”
3.2.2Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.3 en 5.3. Daarvan zijn in het bijzonder de volgende bewijsmiddelen van belang:
“1. De verklaring van de verdachte. De [verdachte] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 29 mei 2018 verklaard – zakelijk weergegeven – (proces-verbaal ter zitting in eerste aanleg pagina 57 en 58):
Ik kreeg een vergoeding van [B] . Ik ben bij Portaal en De Woonplaats ingehuurd als extern adviseur om de treasury te verbeteren en op peil te houden, zodat risico's voor de organisatie beperkt bleven.
De afspraak tussen mij en [B] was dat als ik [B] introduceerde en dat tot omzet leidde, ik een deel van die omzet kreeg.
Ik heb dat nooit gecommuniceerd naar De Woonplaats en Portaal .
12. Een geschrift, te weten een aangifte ter zake van omkoping en witwassen namens De Woonplaats d.d. 17 augustus 2015, nummer D-291, ordner 5, dossier Egelantier met nummer 54218, inhoudende:
Tijdens het getuigenverhoor van [getuige 1] d.d. 12 december 2014 en het getuigenverhoor van [getuige 2] d.d. 16 december 2014 werd De Woonplaats door de FIOD geconfronteerd met documenten waaruit zou blijken dat door [verdachte] / [A] bedragen zijn gefactureerd aan [B] . Deze bedragen konden direct worden gerelateerd aan de door De Woonplaats afgesloten financiële producten. Uit de getoonde stukken volgde dat [verdachte] een bedrag van in totaal ongeveer 330.000 Euro aan provisie zou hebben ontvangen van [B] . [verdachte] heeft de ontvangsten van deze betalingen nooit gemeld aan De Woonplaats . Ook toen er door De Woonplaats , naar aanleiding van de parlementaire enquête naar werd gevraagd, heeft [verdachte] ontkend betalingen te hebben ontvangen. Totdat de getuigenverhoren bij de FIOD plaatsvonden was niemand binnen De Woonplaats op de hoogte van de geldbedragen die [verdachte] van [B] ontving.
29. Een geschrift, te weten een brief d.d. 5 juni 2012 nummer D-064, ordner 3, onderzoek Egelantier met nummer 54218, inhoudende:
Persoonlijk en vertrouwelijk
De Woonplaats
T.a.v. [betrokkene 1]
[postbus]
[postcode] [plaats]
Betreft: verklaring inzake relatie met [B]
Naar aanleiding van de betrokkenheid van [B] bij de Vestia affaire vroeg u ons om een verklaring betreffende onze relatie met [B] . Vanzelfsprekend zijn wij graag bereid deze te verschaffen.
[A] en [B] kenden een goede samenwerking en onderhielden een zakelijke relatie. Voor ons nog jonge adviesbureau is dit thans een precair punt omdat de ongenuanceerdheid van berichtgeving pijnlijk duidelijk maakt dat reputaties eenvoudig beschadigd kunnen geraken.
Zoals reeds toegelicht in de bijeenkomst van de treasurycommissie op 8 mei jongstleden, kwam onze relatie onder andere tot uiting in de sponsoring door [B] van ‘ons’ Public Treasury Congres. Daarnaast verzorgden wij op regelmatige basis advieswerk ten behoeve van [B] . De aard van onze advieswerkzaamheden liep uiteen van het ontwikkelen van een visie op financiering in de publieke sector in het algemeen en de sector van corporaties in het bijzonder, de ontwikkeling van regelgeving en het meedenken over financieringsconstructies en renteproducten. Wij ontvingen voor de advieswerkzaamheden een vergoeding gerelateerd aan het aantal adviesuren. Hierbij ontbrak derhalve iedere koppeling met afgesloten leningen en derivaten. Meer expliciet: er is door [A] geen vergoeding ontvangen van [B] die direct te relateren is aan door De Woonplaats afgesloten derivaten en/of leningen.
Ook voerden we op verzoek van enige wederzijdse cliënten gezamenlijk enkele opdrachten uit. In deze gevallen werd ons honorarium betaald door [B] indien de opdracht leidde tot een makelaarsvergoeding voor [B] .
Wij hechten er waarde aan te benadrukken dat we geen enkele rol hebben gespeeld bij Vestia , direct noch indirect: Vestia was geen cliënt.
We vertrouwen erop u hiermee voldoende en naar genoegen te informeren.
Hoogachtend,
[A] BV
[handtekening]
[verdachte]
Directeur
30. De verklaring van de verdachte. De [verdachte] heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 7 september 2023 verklaard – zakelijk weergegeven –:
Met betrekking tot de brief van 5 juni 2012 zoals genoemd in feit 3 valt mijn verklaring over de afspraak met [B] en de betalingen die ik ontving niet te rijmen met de inhoud van deze brief.
Uit bescherming van de woningcorporaties is dit verklaard. Als op dat moment duidelijk zou worden dat er wellicht een verdachte relatie bestond tussen [A] en [B] , dan had dat waarschijnlijk geleid tot schade. Daarom is deze brief gestuurd.
31. Het proces-verbaal van verhoor, nummer G04-01, ordner 2, onderzoek Egelantier met nummer 54218, van de Belastingdienst/FIOD te Haarlem, inhoudende de verklaring van [getuige 2] :
Eind 2011, begin 2012 werd de zaak Vestia bekend. Aangezien wij ook contacten hadden met [B] , onze tussenpersoon bij de lening- en derivatentransacties, hebben wij ook intern onderzoek gedaan.
Omdat wij vonden dat het bij het onderzoek hoorde, hebben we [verdachte] gevraagd of hij ook financieel gewin had gekregen van lening- en derivatentransacties van De Woonplaats . Ik denk dat onze manager financiën, [betrokkene 1] , dat heeft gevraagd aan [verdachte] .
[betrokkene 1] zal dit medio 2012 aan [verdachte] hebben gevraagd.
[verdachte] is vervolgens met een brief gekomen. [betrokkene 1] en ik hadden hem om een schriftelijke reactie gevraagd. In zijn reactie gaf [verdachte] aan dat hij met betrekking tot onze lening- en derivatentransacties geen financieel gewin had gehad.”
3.4.1Het hof heeft vastgesteld dat De Woonplaats intern onderzoek heeft gedaan naar aanleiding van de parlementaire enquête over de Vestia -affaire en de betrokkenheid daarbij van [B] , en dat De Woonplaats de verdachte in dat kader heeft gevraagd om een schriftelijke verklaring over de relatie tussen [B] en de vennootschap van waaruit de verdachte zijn advieswerkzaamheden voor De Woonplaats verrichtte, te weten [A] . Verder heeft het hof vastgesteld dat de verdachte De Woonplaats daarop een brief met als onderwerp “verklaring inzake relatie met [B] ” heeft gestuurd, waarin hij “valse, onjuiste informatie” heeft gegeven met betrekking tot het niet ontvangen van vergoedingen van [B] door [A] . Volgens het hof is deze informatie voor De Woonplaats van betekenis geweest om in dit onderzoek haar positie te bepalen.