Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:873

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
24/01759
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SrArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt medeplegen poging tot doodslag en vermindert straf

In deze zaak stond de verdachte terecht voor medeplegen van poging tot doodslag door meerdere keren met een geschoeide voet tegen het hoofd van het slachtoffer te schoppen terwijl deze op de grond lag. De rechtbank sprak de verdachte vrij, maar het hof oordeelde anders en veroordeelde hem.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de verdachte behandeld. Het hof had zijn oordeel gebaseerd op camerabeelden en getuigenverklaringen, waaruit bleek dat de verdachte het slachtoffer ten minste twee keer tegen het hoofd had geschopt. Tevens motiveerde het hof dat de verdachte samen met anderen handelde, waarbij zij elkaars geweldshandelingen konden zien en daarvan profiteerden.

De Hoge Raad vond het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd en verwierp het cassatiemiddel dat zich richtte op de bewezenverklaring. Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn was overschreden, waardoor de straf werd verminderd van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk naar zeventien maanden en twee weken waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor medeplegen poging tot doodslag en vermindert de straf tot zeventien maanden en twee weken gevangenisstraf.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/01759
Datum9 juni 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 30 april 2024, nummer 23-000501-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M. Kuipers bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) de bewezenverklaring onder 1 primair.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze zeventien maanden en twee weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 juni 2026.