Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:874

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
23/04817
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.B OpiumwetArt. 9.4 SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onrechtmatige strafoplegging bij XTC-transport

De zaak betreft het vervoer van ruim 10 kilo XTC-pillen in een tas op de achterbank van een door verdachte bestuurde auto, in strijd met art. 2.B Opiumwet. De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, gecombineerd met een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis, en een geldboete van €30.000.

In cassatie werd aangevoerd dat de strafoplegging in strijd was met art. 9.4 Sr, dat bepaalt dat een taakstraf slechts kan worden opgelegd als het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf of hechtenis ten hoogste 6 maanden bedraagt. Het onvoorwaardelijke deel bedroeg hier echter 8 maanden, waardoor de combinatie van straffen niet was toegestaan.

De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van de strafoplegging en terugwijzing van de zaak voor hernieuwde berechting van de strafoplegging. De Hoge Raad volgde dit advies, vernietigde het deel van het arrest dat de strafoplegging betrof en wees de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag. Het beroep werd voor het overige verworpen.

De Hoge Raad motiveerde dat de overige klachten niet tot vernietiging konden leiden en dat het niet nodig was deze nader te motiveren, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 16 juni 2026.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging wegens strijd met art. 9.4 Sr en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting van de strafoplegging.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/04817
Datum16 juni 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 december 2023, nummer 22-003238-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof een wettelijk niet toegestane combinatie van straffen heeft opgelegd.
3.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.2.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
16 juni 2026.