ECLI:NL:HR:2026:877

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
25/00546
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416.2 SvArt. 300.1 SrArt. 304.1.3 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende gemotiveerde afwijzing aanhoudingsverzoek in strafzaak mishandeling PIW-er

In deze strafzaak tegen de verdachte wegens mishandeling van een persoon in functie (PIW-er) heeft het hof Den Haag het verzoek tot aanhouding van de behandeling afgewezen. Dit verzoek was gebaseerd op de stelling dat de verdachte mogelijk gebruik wilde maken van zijn aanwezigheidsrecht, aangezien hij een week eerder contact had gezocht met zijn raadsman.

Het hof oordeelde dat de aangevoerde omstandigheden onvoldoende concreet waren om het vermoeden te onderbouwen dat de verdachte daadwerkelijk gebruik wilde maken van zijn aanwezigheidsrecht. De raadsman had aangegeven geen contact meer te kunnen krijgen met de verdachte, maar uit eerdere contactpogingen kon worden afgeleid dat de verdachte vermoedelijk gebruik wilde maken van zijn aanwezigheidsrecht. De dagvaarding was niet persoonlijk uitgereikt, maar wel rechtsgeldig betekend.

De Hoge Raad stelt dat het hof had moeten afwegen of de verdachte daadwerkelijk op de hoogte was van de zittingsdatum en dat de afwijzing van het aanhoudingsverzoek onvoldoende gemotiveerd is. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Den Haag voor een nieuwe berechting en beslissing.

De advocaat-generaal had eveneens geconcludeerd tot vernietiging en terugwijzing. De Hoge Raad heeft het arrest op 16 juni 2026 gewezen door de vice-president en raadsheren, en het arrest is openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende gemotiveerde afwijzing van het aanhoudingsverzoek.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer25/00546
Datum16 juni 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 12 februari 2025, nummer 22-002188-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over de afwijzing door het hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.
2.2
De klacht is gegrond. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
16 juni 2026.