Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
16 juni 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze strafzaak tegen de verdachte, veroordeeld voor mishandeling van een persoon in het openbaar ambt (PIW-er), werd in hoger beroep een verzoek tot aanhouding van de behandeling gedaan door een niet gemachtigde raadsman. Dit verzoek was gebaseerd op de omstandigheid dat de verdachte recent contact had gezocht, wat zou duiden op een wens tot gebruik van zijn aanwezigheidsrecht. Het hof wees dit verzoek af met de overweging dat de aangevoerde feiten onvoldoende concreet waren om het vermoeden van de raadsman te onderbouwen.
De advocaat-generaal concludeerde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het aanhoudingsverzoek werd afgewezen, aangezien niet kon worden vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk op de hoogte was van de zittingsdatum. De dagvaarding was wel rechtsgeldig betekend, maar niet persoonlijk uitgereikt, waardoor het aannemelijk was dat de verdachte mogelijk geen weet had van de zitting.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof had moeten afwegen tussen de belangen die bij aanhouding van het onderzoek betrokken zijn, en dat het nalaten hiervan de afwijzing van het verzoek ontoereikend motiveerde. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe behandeling en beslissing.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling wegens onvoldoende gemotiveerde afwijzing van het aanhoudingsverzoek.