Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
9 juni 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van brandstichting met gemeen gevaar voor goederen. De feiten speelden zich af in 2014 in Onderbanken en Brunssum, waar verdachte als lid van de vrijwillige brandweer branden stichtte in een auto en twee panden, en vervolgens twee van deze branden zelf bluste in zijn hoedanigheid als brandweerman.
Het cassatieberoep werd ingesteld door verdachte en ondersteund door zijn advocaten. De procureur-generaal kreeg de gelegenheid een advies uit te brengen. De Hoge Raad oordeelde dat het beroep duidelijk niet kon slagen en maakte gebruik van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren.
De uitspraak werd gedaan door de strafkamer van de Hoge Raad op 9 juni 2026, waarbij vice-president V. van den Brink als voorzitter en raadsheren F. Posthumus en F. Damsteegt het arrest wezen. Het beroep werd formeel afgewezen, waarmee de eerdere veroordeling van het hof in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard, waardoor de veroordeling van het hof in stand blijft.