Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:918

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
25/00785
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad corrigeert berekening pachtschuld en griffierecht in geschil over pachtovereenkomst

Deze zaak betreft de afwikkeling van een pachtovereenkomst tussen [pachter] en Stichting Wageningen Research (SWR). Het geschil draait om niet-betaling van pacht, vermindering van de pachtprijs, schadevergoeding voor stormschade aan stallen en aansprakelijkheid van de bestuurder van [pachter].

De rechtbank ontbond de pachtovereenkomst en wees grotendeels de vorderingen van SWR toe, terwijl de vorderingen tegen de bestuurder werden afgewezen. Het hof bekrachtigde de ontbinding en veroordeelde [pachter] en diens bestuurder hoofdelijk tot betaling van ruim € 2,28 miljoen, vermeerderd met rente. Tevens werd de pachtprijs verminderd en SWR veroordeeld tot schadevergoeding wegens tekortkomingen in herstel van stormschade.

In cassatie klaagde [pachter] en diens bestuurder over onjuistheden in de berekening van de pachtschuld en het griffierechtbedrag. De Hoge Raad oordeelde dat het hof een rekenfout had gemaakt bij de pachtprijs voor bedrijfsgebouwen en de periode van de pachtprijs voor de gronden, en dat het griffierechtbedrag onjuist was. De Hoge Raad stelde een gecorrigeerd totaalbedrag van € 2.249.796,02 vast en een griffierecht van € 11.379,--. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof voor zover het deze bedragen betrof en deed de zaak zelf af, waarbij SWR werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: De Hoge Raad stelt een gecorrigeerd bedrag van € 2.249.796,02 vast en een griffierecht van € 11.379,-- en doet de zaak zelf af.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer25/00785
Datum12 juni 2026
ARREST
In de zaak van
1. [pachter] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
2. [bestuurder van pachter],
wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
hierna: [pachter] en [bestuurder van pachter],
advocaat: P.J. Tanja, aanvankelijk ook G.C. Nieuwland,
tegen
STICHTING WAGENINGEN RESEARCH,
gevestigd te Wageningen,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: SWR,
advocaat: T. van Malssen.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak 9538993 LC EXPL 21-2777A/45353 van de rechtbank Midden-Nederland van 19 oktober 2022;
b. de arresten in de zaken 200.319.145 en 200.321.203 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 januari 2023, 21 februari 2023, 24 oktober 2023, 14 november 2023 en 31 december 2024, verbeterd bij beslissing van 18 februari 2025.
[pachter] en [bestuurder van pachter] hebben tegen het arrest van het hof van 31 december 2024 beroep in cassatie ingesteld.
SWR heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor SWR toegelicht door haar advocaat en mede door R.M. Andes.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot vernietiging en tot afdoening als in de conclusie onder 3.41 vermeld.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.1. Kort gezegd heeft deze zaak betrekking op de afwikkeling van een pachtovereenkomst tussen [pachter] als pachter en SWR als verpachter. [bestuurder van pachter] is aandeelhouder en bestuurder van [pachter]. Geschilpunten zijn onder meer niet-betaling door [pachter] van de pachtprijs, vermindering van de pachtprijs en schadevergoeding in verband met stormschade aan de stallen, en aansprakelijkheid van [bestuurder van pachter] als bestuurder van [pachter].
2.2
SWR vordert onder meer ontbinding van de pachtovereenkomst, ontruiming en hoofdelijke veroordeling van [pachter] en [bestuurder van pachter] tot betaling van achterstallige pacht. In reconventie vordert [pachter] onder meer een verklaring voor recht dat SWR toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichting gebreken aan de stallen te herstellen, vermindering van de pachtprijs en veroordeling van SWR tot vergoeding van schade.
2.3
De pachtkamer van de rechtbank [1] heeft de pachtovereenkomst ontbonden per 1 januari 2023 en ook de overige vorderingen van SWR jegens [pachter] grotendeels toegewezen. De vorderingen van SWR jegens [bestuurder van pachter] heeft de rechtbank afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank voor recht verklaard dat SWR toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de pachtovereenkomst, SWR veroordeeld om de schade van [pachter] te vergoeden, met verwijzing naar de schadestaat, en de pachtprijs verminderd.
2.4
In hoger beroep heeft de pachtkamer van het hof [2] , voor zover in cassatie van belang, in conventie de beslissingen van de rechtbank tot ontbinding van de pachtovereenkomst en tot veroordeling van [pachter] tot ontruiming bekrachtigd, en [pachter] en [bestuurder van pachter] hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan SWR van € 2.280.370,99, te vermeerderen met wettelijke handelsrente. In reconventie heeft het hof de door [pachter] aan SWR verschuldigde pachtprijs verminderd en voor recht verklaard dat SWR toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichting bepaalde stormschade aan de stallen (tijdig) te herstellen, met veroordeling van SWR tot vergoeding van de als gevolg daarvan door [pachter] geleden schade, nader op te maken bij staat.
Onder het kopje “Welk bedrag moet [pachter] betalen?” heeft het hof het volgende overwogen, met inachtneming van de verbeteringen bij herstelarrest van 18 februari 2025.
4.53
Het hof stelt voorop dat [pachter] niets aan pacht betaald heeft. De pachtkamer in Lelystad had het totale bedrag aan achterstallige pachtpenningen berekend op € 1.995.385,40. Tegen de omvang van de pachtschuld, inclusief de toepassing van de twee maanden korting, is geen grief gericht (…). Met de door het hof in dit arrest vastgestelde pachtprijsvermindering en de bedragen voor de perioden die bij de pachtkamer in Lelystad nog niet gevorderd waren tot 31 december 2022, zoals uiteengezet door SWR en door [pachter] niet weersproken, komt het totale bedrag op:
Bedrag toegewezen door de rechtbank
€ 2.290.951,42
Pacht voor bedrijfsgebouwen voor periode na 1 januari 2022 incl. pachtprijsvermindering
€ 67.042,82
Extra pachtprijsvermindering die het hof heeft vastgesteld (zie r.o. 4.27)
- € 12.341,07
Pachtprijs voor de gronden vanaf 1 mei 2022
€ 215.004,00
Pachtprijs voor de woning vanaf 1 december 2021
€ 8.236,58
Energiekosten over 2021
€ 6.486,17
Energiekosten over 2022
€ 14.280,07
Subtotaal wijzigingen t.o.v. vonnis
€ 298.708,57
Totaal
€ 2.589.659,99
Vervolgens heeft het hof overwogen dat op deze vordering van € 2.589.659,99 in mindering moet worden gebracht het bedrag van € 309.289,-- aan schadevergoeding dat SWR aan [pachter] verschuldigd is. Het totaal toe te wijzen bedrag komt dan op € 2.589.659,99 minus € 309.289,--, zijnde € 2.280.370,99. (rov. 4.70)
Het hof heeft [bestuurder van pachter] veroordeeld tot betaling van de proceskosten van SWR, waaronder een bedrag van € 11.739,-- aan griffierecht. (rov. 5.17)

3.Beoordeling van het middel

3.1
De onderdelen 1-3 van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO Pro).
3.2
Onderdeel 4 klaagt over de onjuistheid van verschillende bedragen in rov. 4.53, 4.70 en in het dictum onder 5.17.
3.3.1
Het onderdeel bestrijdt ten eerste de overweging van het hof in rov. 4.53 dat de pacht voor de bedrijfsgebouwen voor de periode na 1 januari 2022, € 67.042,82 bedraagt.
3.3.2
Deze klacht slaagt in zoverre dat het door het hof genoemde bedrag van € 67.042,82 niet de na vermindering verschuldigde pacht is, maar de in aanmerking te nemen pachtprijsvermindering voor zowel de transitiestal (12 maanden à € 1.083,33 per maand = € 12.999,96) als de serrestal (10+11/28e maanden à € 5.200,-- per maand = € 54.042,86).
Gegeven de pachtprijs voor de bedrijfsgebouwen van € 127.400,-- per jaar (zie rov. 3.3) bedraagt de pacht voor de bedrijfsgebouwen voor de periode van 1 januari 2022 tot de ontbinding per 1 januari 2023 € 127.400,-- minus € 67.042,82, zijnde € 60.357,18.
3.4.1
Het onderdeel bestrijdt ten tweede de overweging van het hof in rov. 4.53 dat de pachtprijs voor de gronden vanaf 1 mei 2022 € 215.004,-- bedraagt.
3.4.2
Tussen partijen is niet in geschil dat het hof, in navolging van de door SWR gemaakte rekenfout in hoger beroep, met dit bedrag is uitgegaan van de pachtprijs voor de gronden over een periode van negen maanden in plaats van de acht maanden die de periode van 1 mei 2022 t/m 31 december 2022 beslaat.
De pachtprijs voor de gronden bedraagt € 286.672,-- per jaar (zie rov. 3.3) en dus € 191.114,67 over de laatste acht maanden van 2022.
3.5.1
Het onderdeel klaagt ten derde over een onjuistheid in de optelling van het hof in rov. 4.70.
3.5.2
Omdat het hof deze fout heeft hersteld in het herstelarrest van 18 februari 2025 kan deze klacht bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.
3.6.1
Het onderdeel bestrijdt ten slotte het bedrag aan griffierecht dat het hof in het dictum onder 5.17 ten laste van [bestuurder van pachter] brengt.
3.6.2
Ook deze klacht slaagt. Het hof heeft in de proceskostenveroordeling € 11.739,-- aan griffierecht opgenomen in plaats van het bedrag van € 11.379,-- dat bij SWR aan griffierecht is geheven.
3.7.1
De Hoge Raad zal zelf de zaak afdoen overeenkomstig de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.36-3.41, waarover partijen zich hebben kunnen uitlaten.
3.7.2
Uit hetgeen hiervoor in 3.3.2, 3.4.2 en 3.6.2 is overwogen en gelet op de niet of tevergeefs bestreden oordelen van het hof, volgt dat het ten laste van [pachter] en [bestuurder van pachter] toe te wijzen bedrag uitkomt op € 2.559.085,02 minus het te verrekenen bedrag van € 309.289,-- (zie rov. 4.48), zijnde € 2.249.796,02, te vermeerderen met wettelijke handelsrente op de wijze zoals uiteengezet door het hof in rov. 4.66-4.68.
3.7.3
Het hiervoor in 3.7.2 genoemde bedrag van € 2.559.085,02 is als volgt opgebouwd:
Bedrag toegewezen door de rechtbank
€ 2.290.951,42
Pacht voor bedrijfsgebouwen voor periode na 1 januari 2022 incl. pachtprijsvermindering
€ 60.357,18
Extra pachtprijsvermindering die het hof heeft vastgesteld (zie r.o. 4.27)
- € 12.341,07
Pachtprijs voor de gronden vanaf 1 mei 2022
€ 191.114,67
Pachtprijs voor de woning vanaf 1 december 2021
€ 8.236,58
Energiekosten over 2021
€ 6.486,17
Energiekosten over 2022
€ 14.280,07
Subtotaal wijzigingen t.o.v. vonnis
€ 268.133,60
Totaal
€ 2.559.085,02

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 december 2024 zoals hersteld bij arrest van 18 februari 2025, maar uitsluitend wat betreft het in het dictum onder 5.2 vermelde bedrag van € 2.280.370,99 en het in het dictum onder 5.17 vermelde bedrag van € 11.739,--;
- bepaalt dat het in het dictum onder 5.2 vermelde bedrag is: € 2.249.796,02;
- bepaalt dat het in het dictum onder 5.17 vermelde bedrag is: € 11.379,--;
- veroordeelt SWR in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [pachter] en [bestuurder van pachter] gezamenlijk begroot op € 8.652,47 aan verschotten
en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien SWR deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op
12 juni 2026.

Voetnoten

1.Rechtbank Midden-Nederland 19 oktober 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:4351.
2.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7984 (zoals hersteld bij arrest van 18 februari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:865).