ECLI:NL:HR:2026:930
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende op 5 februari 2026 schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht en een termijn van vier weken gesteld voor betaling. Ondanks ontvangst van deze kennisgeving heeft belanghebbende het griffierecht niet voldaan.
De griffier heeft vervolgens op 13 maart 2026 belanghebbende in de gelegenheid gesteld om te verklaren waarom het griffierecht niet was betaald. De door belanghebbende ingediende berichten op 17 maart, 19 maart en 15 april 2026 boden geen gegronde reden om het verzuim te rechtvaardigen.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen. Het arrest is op 12 juni 2026 in het openbaar gewezen door de raadsheren M.T. Boerlage, A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.