ECLI:NL:HR:2026:94

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
24/03826
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over de rechtmatigheid van de aansluitbijdrage voor stadsverwarming tussen Ennatuurlijk B.V. en Stichting Stadsverwarming Eindhoven

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 23 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tussen Ennatuurlijk B.V. en Stichting Stadsverwarming Eindhoven (SSE). Het geschil betreft de rechtmatigheid van de periodieke aansluitbijdrage die Ennatuurlijk in rekening brengt bij verbruikers van stadsverwarming in Eindhoven. SSE vordert een verklaring voor recht dat Ennatuurlijk zonder rechtsgrond een jaarlijks geïndexeerde en rentedragende aansluitbijdrage in rekening brengt bij verbruikers die voor 1 januari 2014 een aansluiting hebben gehad op het warmtenet. De rechtbank Oost-Brabant heeft deze vordering toegewezen, maar het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft het vonnis bekrachtigd. De Hoge Raad heeft in cassatie de vraag beantwoord of de leveringsovereenkomsten die verbruikers met Ennatuurlijk hebben gesloten, een grondslag bieden voor het in rekening brengen van de aansluitbijdrage. De Hoge Raad oordeelt dat de verbruikers bij het aangaan van de overeenkomst niet op de hoogte waren van de aansluitbijdrage, omdat deze niet duidelijk in de overeenkomst was opgenomen. De Hoge Raad concludeert dat Ennatuurlijk niet het recht heeft om een periodieke aansluitbijdrage in rekening te brengen, omdat de verbruikers niet geïnformeerd waren over deze kostencomponent. De uitspraak benadrukt het belang van transparantie in contractuele afspraken, vooral bij de levering van een primaire levensbehoefte zoals stadsverwarming.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer24/03826
Datum23 januari 2026
ARREST
In de zaak van
ENNATUURLIJK B.V.,
gevestigd te Eindhoven,
EISERES tot cassatie,
hierna: Ennatuurlijk,
advocaten: A. Knigge en D.A. van der Kooij,
tegen
STICHTING STADSVERWARMING EINDHOVEN,
gevestigd te Eindhoven,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: SSE,
advocaat: H.J.W. Alt.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/01/354428 / HA ZA 20-39 van de rechtbank Oost-Brabant van 26 januari 2022;
b. het arrest in de zaak 200.313.867/02 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 juli 2024.
Ennatuurlijk heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
SSE heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen mondeling en schriftelijk toegelicht door hun advocaten, en voor Ennatuurlijk schriftelijk mede toegelicht door L.A. Burwick en C.J.D. Warren.
De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaten van Ennatuurlijk hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
Deze zaak gaat over de vraag of de leveringsovereenkomsten die verbruikers van stadsverwarming in Eindhoven hebben gesloten met leverancier Ennatuurlijk, een grondslag bieden voor het in rekening brengen van een periodieke ‘aansluitbijdrage’.
2.2
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Vanaf het eind van de jaren ’90 van de vorige eeuw voorziet Ennatuurlijk ongeveer 5.600 woningen in Eindhoven van stadsverwarming. Voor de levering van warmte exploiteert Ennatuurlijk een warmtenet.
(ii) Voor het realiseren van een aansluiting op het warmtenet gaat een aanvrager een aansluitovereenkomst aan met Ennatuurlijk. De aansluitovereenkomst komt tot stand door het invullen en opsturen door de aanvrager van een daarvoor door Ennatuurlijk aan de aanvrager toegezonden offerte. Op deze offerte/opdrachtbevestiging staat direct boven de plaats waar de aanvrager zijn/haar gegevens invult de tekst “
De totale kosten voor de nieuwe aansluiting(en) bedragen EUR [bedrag] incl. BTW”.
(iii) De algemene praktijk bij de totstandkoming van een leveringsovereenkomst is dat een verbruiker zich bij Ennatuurlijk meldt, waarna Ennatuurlijk een welkomstbrief met bijlagen stuurt. De bijlagen bestaan uit de Algemene Aansluitvoorwaarden en de Algemene Leveringsvoorwaarden en een informatiebrochure.
(iv) In de Algemene Aansluitvoorwaarden en in de Algemene Leveringsvoorwaarden staat de volgende definitie van vastrecht:
“de verschuldigde vergoeding voor het hebben en in stand (doen) houden van een aansluiting en het beschikbaar stellen van warmte – en/of warm tapwater – en/of koudevermogen”.
(v) De hoogte van het tarief voor de aansluiting op het warmtenet en de levering van warmte werd vanaf 1981 jaarlijks geadviseerd door de vereniging van stadsverwarmingsbedrijven in Nederland in zogenaamde Tariefadviezen. De Tariefadviezen gaan uit van het “niet-meer-dan-anders” beginsel (NMDA- beginsel). Dit NMDA-beginsel wordt toegepast voor de berekening van de aansluitbijdrage, het vastrecht en de warmteprijs en komt erop neer dat een zodanig tarief voor de geleverde warmte wordt gevraagd dat het de warmteverbruiker gemiddeld niet meer kost dan bij gebruik van aardgas voor individuele centrale verwarming.
(vi) Volgens het Tariefadvies 2013 is de aansluitbijdrage een éénmalige vergoeding die verschuldigd is op het moment dat de woning op het warmtenet wordt aangesloten. Bij de vaststelling van de hoogte van de aansluitbijdrage wordt, aldus het Tariefadvies 2013, uitgegaan van de vermeden kosten van een gasaansluiting en het verschil tussen de specifieke investeringskosten voor enerzijds een centrale verwarmings- en anderzijds een stadsverwarmingsinstallatie.
(vii) Vanaf 2012 heeft Ennatuurlijk op haar facturen naast de variabele kosten voor
verbruik en het vastrecht ook een separate post ‘bijdrage aansluitkosten’ of ‘aansluitbijdrage’ opgenomen (hierna beide aan te duiden als: aansluitbijdrage). Voordien bracht Ennatuurlijk deze post (voor verbruikers op de factuur niet zichtbaar) als onderdeel van het vastrecht in rekening. Bij brief van begin december 2011 heeft Ennatuurlijk haar verbruikers hierover geïnformeerd. Deze brief vermeldt:
‘‘
Bijdrage aansluitkosten
Binnen de component vastrecht betaalt u momenteel een bijdrage voor de aansluitkosten van de warmteaansluiting. Na aansluiting op het warmtenet is de looptijd van deze aansluitbijdrage 30 jaar. Voor 2011 gaat het om een bedrag van [bedrag], inclusief BTW. De aansluitbijdrage eindigt voor bovengenoemd verbruiksadres in [jaartal eindjaar]. (...)
Wat betekent dit voor u?
Voor u als klant betekent dit dat u vanaf 1 januari [jaartal eindjaar] jaarlijks minder gaat betalen voor de levering van warmte. Indien in uw situatie de looptijd nog niet is verstreken, wordt vanaf 2012 de bijdrage die u betaalt voor aansluitkosten afzonderlijk vermeld op uw jaarafrekening.”
(viii) SSE is in 2015 opgericht en behartigt de belangen van een aantal verbruikers van stadsverwarming in de gemeente Eindhoven.
2.3
In dit geding vordert SSE onder meer een verklaring voor recht dat Ennatuurlijk zonder rechtsgrond een jaarlijks geïndexeerde en rentedragende aansluitbijdrage in rekening brengt dan wel heeft gebracht bij bepaalde groepen verbruikers die voor 1 januari 2014 een aansluiting hebben (gehad) op het warmtenet. De rechtbank [1] heeft deze vordering toegewezen.
2.4
Het hof [2] heeft, voor zover in cassatie van belang, het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe heeft het, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen.
Aan de hand van de Haviltex-maatstaf moet worden bezien of tussen partijen overeenstemming is bereikt over het in rekening mogen brengen van een (jaarlijkse) aansluitbijdrage. (rov. 5.9.1)
Voorafgaand aan het sluiten van de leveringsovereenkomst vond geen overleg plaats over deze overeenkomst tussen de warmteleverancier en de verbruiker. Daarom komt bij de uitleg van hetgeen is overeengekomen in het bijzonder gewicht toe aan hetgeen partijen schriftelijk aan elkaar hebben kenbaar gemaakt en aan het feit dat Ennatuurlijk in de uitoefening van haar bedrijf handelde en dat de achterban van SSE zo niet volledig, dan toch hoofdzakelijk bestaat uit natuurlijke personen die niet in de uitoefening van hun beroep of bedrijf handelden. (rov. 5.9.2-5.9.3)
De welkomstbrief met bijgevoegde algemene voorwaarden en de informatiebrochure bieden geen grondslag voor het in rekening brengen van een aansluitbijdrage. De welkomstbrief bevat helemaal geen tariefinformatie, niet ten aanzien van de vraag uit welke onderdelen de prijs voor levering bestaat, noch ten aanzien van het bedrag per onderdeel dat in rekening wordt gebracht. Het voorschotbedrag dat in de welkomstbrief is vermeld, wordt niet gespecificeerd. Dat het voorschot mede een aansluitbijdrage omvat, blijkt daar (dus) niet uit. Een verbruiker kan op basis van de welkomstbrief dus niet op de hoogte zijn van de verschuldigdheid van een aansluitbijdrage. De informatiebrochures maken geen deel uit van de overeenkomst. In de welkomstbrief staat immers duidelijk vermeld dat alleen de algemene voorwaarden onderdeel uitmaken van de overeenkomst. Met betalingsverplichtingen die niet uit de overeenkomst volgen, hoefden de afnemers geen rekening te houden. (rov. 5.11)
Het woord “Aansluitbijdrage ” komt niet voor in de Algemene Leveringsvoorwaarden 1994 of de versies 2012 en 2018 en evenmin in de Algemene Aansluitvoorwaarden 2014. De laatste voorwaarden maken in art. 3.3 uitdrukkelijk onderscheid tussen enerzijds de kosten voor levering en anderzijds de kosten voor het tot stand brengen, in stand houden, (de)activeren, wijzigen en/of verwijderen van een aansluiting. (rov. 5.12.1)
Volgens Ennatuurlijk is de aansluitbijdrage in rekening gebracht als onderdeel van het vastrecht. Volgens de definitie van vastrecht omvat het vastrecht wel de kosten voor het hebben en in stand houden van een aansluiting, maar dat daarin ook kosten zitten voor het feitelijk realiseren/tot stand brengen van de aansluiting blijkt er niet uit. Daarbij is van belang dat in de Algemene Leveringsvoorwaarden staat dat kosten voor onderhoud en controle van de aansluiting voor rekening zijn van Ennatuurlijk en dat een verzoek moet worden ingediend voor het tot stand brengen (of wijzigen) van een aansluiting. De ‘levering’ is tot slot in de algemene voorwaarden gedefinieerd als ‘de terbeschikkingstelling van gas, elektrische energie c.q elektrisch vermogen, radio- en televisiesignalen en warmte’, dan wel ‘de levering [terbeschikkingstelling] van warmte en/of warm tapwater en/of koude’. Dit alles, in onderling verband bezien, vormt eerder een indicatie dat er op grond van een overeenkomst tot levering geen kosten hoeven te worden betaald voor het tot stand brengen van een aansluiting, omdat daarvoor een aparte overeenkomst (een aansluitovereenkomst) moet worden aangegaan. Dat – zo lijkt uit de stellingen van Ennatuurlijk te volgen – een deel van de kosten voor de aansluiting (die in een aansluitovereenkomst door een andere partij is aangevraagd), wordt doorbelast aan een partij die een leveringsovereenkomst aangaat, is dermate bijzonder dat die derde daarop in beginsel niet bedacht hoeft te zijn. Ook in art. 14 lid 1 van de Algemene Leveringsvoorwaarden leest het hof niet dat aansluitkosten in rekening worden gebracht bij verbruikers die bij het aanvragen van de levering al beschikken over een aansluiting. Het relevante deel van die bepaling luidt:
“14.1> Voor het tot stand brengen, uitbreiden, wijzigen en wegnemen van een Aansluiting en voor de levering zijn de Aanvrager en de Verbruiker bedragen verschuldigd volgens de van kracht zijnde tarievenbladen van het Bedrijf.
14.2 >
Het Bedrijf bepaalt welk tarief van toepassing is. De Aanvrager en de Verbruiker zijn gehouden desgevraagd de daartoe benodigde gegevens te verstrekken.”
Dit kan ook aldus begrepen worden dat de aanvrager kosten voor het tot stand brengen verschuldigd is (op grond van de nader te sluiten aansluitovereenkomst) en de verbruiker bedragen als vermeld bij de definitie van ‘vastrecht’. Voor zover Ennatuurlijk een bijdrage in de kosten voor het realiseren van de aansluiting in rekening had willen brengen, mocht van haar als professionele partij worden verwacht dat zij de door haar gebezigde (leverings)overeenkomst op zodanige wijze zou hebben ingericht dat deze niet voor misverstand vatbaar zou zijn. De bestaande onduidelijkheid in de overeenkomst over de betalingsverplichting van een verbruiker op dit punt dient dan ook voor haar rekening te komen. (rov. 5.12.2)
Het hof betrekt hierbij ook de bijzondere aard van de overeenkomst. Het betreft de levering van een primaire levensbehoefte. Zeker in de periode waar het onderhavige geding betrekking op heeft (tot 1 januari 2014) was er voor op het warmtenet aangesloten verbruikers praktisch geen andere reële optie om warmte te verkrijgen dan door gebruikmaking van dat net (zie ook rov. 3.4 van het bestreden vonnis). De enige partij die hun toegang daartoe kon verschaffen was Ennatuurlijk, die daarvoor de prijs en de voorwaarden eenzijdig vaststelde. Onderhandelen over prijs of andere voorwaarden was niet mogelijk. Overstappen naar een andere leverancier, zoals wel mogelijk bij de levering van gas en elektriciteit, kon ook niet. (rov. 5.13)
Ook uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat van Ennatuurlijk als professionele partij mag worden verwacht dat zij haar overeenkomst op zodanige wijze inricht dat voor een verbruiker duidelijk is tot betaling van welke kostencomponenten hij zich bij het aangaan van de overeenkomst verbindt en dat het nalaten daarvan (en de als gevolg daarvan bestaande onduidelijkheid) voor rekening van Ennatuurlijk dient te komen. Het hof stelt vast dat bij de wijze van contracteren die Ennatuurlijk hanteert voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst geen inzage is verstrekt in, en daarmee voor een gemiddeld geïnformeerd verbruiker niet (volledig) inzichtelijk en transparant is, welke kosten hem of haar in rekening worden gebracht. Een duidelijk en begrijpelijk beding ten aanzien van het in rekening brengen van een aansluitbijdrage en de hoogte daarvan, inclusief rente en indexering, in het samenstel van welkomstbrief met algemene voorwaarden en brochure, dat kennelijk de leveringsovereenkomst van Ennatuurlijk constitueert, ontbreekt. De verbruikers hebben zich noch vooraf noch lopende de overeenkomst een beeld kunnen vormen ten aanzien van de verschillende kostenposten die Ennatuurlijk in haar tarieven (en met name in de post vastrecht) versleutelt en opneemt. (rov. 5.14.3)
Het voorgaande geldt evenzeer voor verbruikers die naast de leveringsovereenkomst ook een aansluitovereenkomst hebben gesloten. Uit geen van de offertes voor een aansluitovereenkomst die Ennatuurlijk heeft overgelegd, blijkt dat naast het in de offerte opgenomen bedrag voor het realiseren van een aansluiting na ingebruikneming van de aansluiting nog gedurende dertig jaar maandelijks een aansluitbijdrage verschuldigd is. (rov. 5.18.1)
Waar in de offertes voor een aansluitovereenkomst aan het eind specifiek is vermeld dat het daar opgenomen bedrag “de totale kosten van de nieuwe aansluiting(en)” betreft, bestaat reden temeer om te oordelen dat uit de bewoordingen van de offertes voor een aansluitovereenkomst niet blijkt dat aanvragers (verdere) aansluitkosten verschuldigd zouden zijn bovenop het bedrag dat (al) in de offertes stond vermeld. (rov. 5.19)
Ennatuurlijk heeft dan ook niet het recht om aan aanvragers van een aansluiting een periodieke aansluitbijdrage in rekening te brengen, ook al hebben zij gedurende een bepaalde periode een bedrag aan vastrecht betaald waarin een component aansluitbijdrage was opgenomen. Deze component was aan hen niet kenbaar gemaakt. Daarbij heeft Ennatuurlijk een prijs geoffreerd als totale vergoeding voor de nieuwe aansluiting(en), welke prijs de aanvragers hebben geaccepteerd. Dat zij er daarbij op zijn gewezen dat dit bedrag slechts een deel van die kosten betrof en dat de rest in termijnen, uitgesmeerd over dertig jaar, periodiek geïndexeerd en vermeerderd met een rente, als onderdeel van het vastrecht in rekening zou worden gebracht, is niet gesteld of gebleken. (rov. 5.20)
De slotsom is dat onder de gegeven omstandigheden een verbruiker bij het aangaan van een leveringsovereenkomst niet op de hoogte is geweest van het feit dat hij op grond van die overeenkomst naast een bedrag voor de levering van warmte en het in standhouden van de daarvoor benodigde aansluiting ook nog eens een bijdrage diende te voldoen voor het feitelijk realiseren van die aansluiting. De wil van de verbruiker kan daar niet op gericht zijn geweest en Ennatuurlijk heeft daar in redelijkheid ook niet op mogen vertrouwen. Verbruikers met daarnaast ook een aansluitovereenkomst hoefden er daarbij al helemaal niet meer op bedacht te zijn, omdat hun in de offerte voor het realiseren van een aansluiting is voorgehouden dat in het geoffreerde bedrag alle aansluitkosten waren inbegrepen. De leveringsovereenkomst biedt onder de in deze procedure weergegeven omstandigheden geen grondslag voor het in rekening brengen en verschuldigdheid van een aansluitbijdrage. (rov. 5.21)

3.Beoordeling van het middel

3.1.1 Onderdeel 2 van het middel is gericht tegen het oordeel van het hof (in rov. 5.12.2 in verbinding met rov. 5.10) dat het in art. 14 lid 1 van de Algemene Leveringsvoorwaarden niet leest dat aansluitkosten in rekening worden gebracht bij verbruikers die bij het aanvragen van de levering al beschikken over een aansluiting, en dat deze bepaling ook aldus begrepen kan worden dat de aanvrager kosten voor het tot stand brengen verschuldigd is (op grond van de nader te sluiten aansluitovereenkomst) en de verbruiker bedragen als vermeld bij de definitie van ‘vastrecht’. Het onderdeel klaagt dat het hof is uitgegaan van een verkeerde versie van de Algemene Leveringsvoorwaarden, namelijk de versie die gold in 2018, terwijl het in dit geding gaat over de periode tot 2014.
3.1.2 Het onderdeel kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Het verschil tussen de beide versies van art. 14 van de Algemene Leveringsvoorwaarden is erin gelegen dat in de versie waarop Ennatuurlijk zich heeft beroepen tevens wordt gesproken van het ‘in stand houden’ van een Aansluiting (“voor het tot stand brengen, in stand houden, (de)activeren, wijzigen en/of verwijderen van een Aansluiting (…) zijn de Aanvrager en/of Verbruiker bedragen verschuldigd (…)”), terwijl de woorden ‘in stand houden’ in de versie waarvan het hof is uitgegaan, ontbreken. Niet valt in te zien dat het oordeel van het hof dat art. 14 van de Algemene Leveringsvoorwaarden zo kan worden begrepen dat de aanvrager kosten voor het tot stand brengen van de aansluiting verschuldigd is en de verbruiker bedragen die vallen onder het vastrecht, waaronder het in stand houden van de aansluiting, anders had geluid als het hof van de door Ennatuurlijk ingeroepen versie zou zijn uitgegaan.
3.2.1 Onderdeel 3.1 klaagt dat het hof in rov. 5.12.2 ten onrechte ervan is uitgegaan dat in de periodieke aansluitbijdrage ‘kosten’ zitten voor het ‘feitelijk realiseren/tot stand brengen van de aansluiting’ en mede op basis van die veronderstelling heeft geconcludeerd dat art. 14 van de Algemene Leveringsvoorwaarden geen grondslag bood voor het in rekening brengen van de periodieke aansluitbijdrage. Het onderdeel wijst erop dat Ennatuurlijk heeft gesteld dat de bedragen die zij als periodieke aansluitbijdrage in rekening bracht, niet direct te relateren zijn aan kosten die worden gemaakt: het gaat om kosten die juist niet worden gemaakt, maar die conform de ‘niet-meer-dan-anders’-systematiek toch in rekening worden gebracht, aldus het onderdeel.
3.2.2 Deze klacht kan niet tot cassatie leiden bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft zich in rov. 5.12.2 niet uitgelaten over de vraag hoe de periodieke aansluitbijdrage is berekend en of deze al dan niet is gerelateerd aan door Ennatuurlijk werkelijk gemaakte kosten. Het hof heeft slechts beoordeeld of er een contractuele basis is voor het in rekening brengen van een periodieke aansluitbijdrage, ongeacht of die bijdrage is gebaseerd op werkelijk gemaakte kosten.
3.2.3 Onderdeel 3.2 klaagt onder meer dat onbegrijpelijk is het oordeel van het hof in rov. 5.12.2 dat het doorbelasten van een deel van de kosten voor de aansluiting dermate bijzonder is dat de verbruiker daarop in beginsel niet bedacht behoeft te zijn. Uit de door het hof aangehaalde definitie van vastrecht volgt immers dat een vergoeding verschuldigd is voor het hebben en het in stand (doen) houden van een aansluiting, aldus het onderdeel.
Onderdeel 3.3 klaagt dat onbegrijpelijk is het oordeel van het hof in rov. 5.21 dat een verbruiker bij het aangaan van een leveringsovereenkomst niet op de hoogte is geweest van het feit dat hij op grond van die overeenkomst naast een bedrag voor de levering van warmte en het in stand houden van de daarvoor benodigde aansluiting, een bijdrage diende te voldoen voor het feitelijk realiseren van die aansluiting. De verbruiker moest immers op grond van art. 14 van de Algemene Leveringsvoorwaarden een bedrag betalen voor het in stand houden van de aansluiting, aldus het onderdeel.
Deze klachten berusten op een onjuiste lezing van het oordeel van het hof en kunnen dus niet tot cassatie leiden. Het hof is ervan uitgegaan dat de periodieke aansluitbijdrage een vergoeding is die verband houdt met het (initieel) tot stand brengen van een aansluiting en niet met het hebben of in stand (doen) houden van een aansluiting.
3.2.4 Voor zover onderdeel 3.2 voorts klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 5.12.2 onbegrijpelijk is in het licht van de stelling van Ennatuurlijk dat in de Tariefadviezen van de vereniging van stadsverwarmingsbedrijven in Nederland tot 1993 herhaaldelijk uitdrukkelijk werd vermeld dat de aansluitbijdrage (of een deel daarvan) kan worden vertaald in een jaarbedrag en kan worden gevoegd bij het vastrecht, faalt het. Dat het volgens de Tariefadviezen toegestaan was om de aansluitbijdrage als onderdeel van het vastrecht periodiek in rekening te brengen, brengt immers nog niet mee dat dit tussen Ennatuurlijk en de verbruikers is overeengekomen.
3.3.1 Voor zover de klachten van de onderdelen 4, 5 en 6 voortbouwen op de hiervoor in 3.2.3 beoordeelde klachten, delen zij het lot van de hiervoor in 3.2.3 verworpen klachten.
3.3.2 De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt Ennatuurlijk in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van SSE begroot op € 873,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Ennatuurlijk deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
23 januari 2026.

Voetnoten

1.Rechtbank Oost-Brabant 26 januari 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:206.
2.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 16 juli 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2263.