ECLI:NL:HR:2026:941

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
24/00635
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest witwassen wegens grondslagverlating en wijst zaak terug

De verdachte werd ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 27 september 2016 in Nederland een geldbedrag van ongeveer 40.490 euro had verborgen of verhuld, terwijl hij wist dat dit afkomstig was uit een misdrijf, conform artikel 420bis lid 1 sub a Sr. Het hof verklaarde echter bewezen dat de verdachte het geldbedrag voorhanden had gehad, terwijl hij wist dat het afkomstig was uit een misdrijf, hetgeen valt onder artikel 420bis lid 1 sub b Sr.

Hierdoor heeft het hof de grondslag van de tenlastelegging verlaten door iets anders te bewijzen dan wat was toegelicht in de tenlastelegging. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging en terugwijzing van de zaak.

De Hoge Raad oordeelde dat het cassatiemiddel slaagt omdat het hof niet binnen de grenzen van de tenlastelegging is gebleven. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor een nieuwe berechting en beslissing.

De uitspraak werd gedaan op 23 juni 2026 door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad, in aanwezigheid van de waarnemend griffier. De zaak betreft een cassatieberoep in een strafzaak over witwassen van een geldbedrag van bijna 40.000 euro.

Deze procedure benadrukt het belang van het strikt volgen van de tenlastelegging in strafzaken en het verbod op grondslagverlating door de rechterlijke instantie.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest wegens grondslagverlating en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/00635
Datum23 juni 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 februari 2024, nummer 20-002553-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’sHertogenbosch, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten.
2.2.1
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“hij op of omstreeks 27 september 2016 te [plaats] , althans in Nederland, van een voorwerp, te weten enig geldbedrag (totaal ongeveer 40.490 euro), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp was, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat, dat voorwerp geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.”
2.2.2
Daarvan is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij op 27 september 2016 te [plaats] , een voorwerp, te weten enig geldbedrag (totaal 39.990 euro) voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.”
2.3
Artikel 420bis lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:
“Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie:
a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf;
b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf.”
2.4
De tenlastelegging is toegesneden op handelen in strijd met artikel 420bis lid 1, aanhef en onder a, Sr. Het door het hof bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 420bis lid 1, aanhef en onder b, Sr. Het hof heeft dus iets anders bewezenverklaard dan was tenlastegelegd. Daarmee heeft het hof de grondslag van de tenlastelegging verlaten.
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
23 juni 2026.