Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:952

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
24/01863
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis.1.b SrArt. 420ter.1 SrArt. 420bis.1.b SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling medeplegen witwassen ondanks overschrijding redelijke termijn

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van witwassen van een auto en gewoontewitwassen van geldbedragen. Het hof had een gevangenisstraf van zeven maanden opgelegd, waarvan vier maanden voorwaardelijk.

In cassatie werden meerdere klachten ingediend, waaronder een verzoek tot het horen van een getuige en bezwaren tegen het bewijs en de opzet. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat het hof terecht het verzoek tot het horen van de getuige had afgewezen.

Een belangrijk punt in cassatie was de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden en de uitspraak van de Hoge Raad meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep plaatsvond. De Hoge Raad erkende deze overschrijding, maar vond dat gezien de strafmaat en de mate van overschrijding geen ander rechtsgevolg aan deze termijnoverschrijding verbonden hoefde te worden.

De Hoge Raad verwierp het beroep en handhaafde het arrest van het hof, waarmee de veroordeling en straf ongewijzigd bleven.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor medeplegen witwassen met een gevangenisstraf van zeven maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, ondanks overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/01863
Datum23 juni 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 1 mei 2024, nummer 23-002226-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Kuijper bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van zeven maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
23 juni 2026.