Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
23 juni 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 25 juli 2024. Verdachte was niet aanwezig bij de terechtzitting van 11 juli 2024, maar zijn raadsman verklaarde dat verdachte de dag van de terechtzitting tevoren kende. Het hof sprak verstek uit en behandelde de zaak zonder verdachte.
Volgens artikel 432 lid 1 sub c Sv Pro moet een cassatieberoep binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien verdachte tevoren bekend was met de datum van de terechtzitting. Omdat de raadsman had verklaard dat verdachte de datum kende, had het cassatieberoep uiterlijk 8 augustus 2024 ingediend moeten zijn.
Het cassatieberoep werd echter pas op 4 december 2024 ingesteld, ruim na de termijn. De Hoge Raad oordeelde daarom dat het beroep niet-ontvankelijk is en neemt het niet in behandeling. Hiermee wordt bevestigd dat tijdige kennisname van de terechtzittingsdatum een strikte termijn voor cassatie instelt.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn.