Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:954

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
24/04414
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26.1 WWMArt. 2.C OpiumwetArt. 432.1.c Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens overschrijding termijn na kennis dag terechtzitting

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld door het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 25 juli 2024. De dagvaarding voor de terechtzitting van 11 juli 2024 was meerdere malen aangeboden aan het adres van de verdachte, maar niet aangenomen. Tijdens de terechtzitting was de verdachte niet aanwezig, maar zijn raadsman verklaarde dat hij de verdachte de dag ervoor had gesproken en dat de verdachte bekend was met de datum van de terechtzitting.

Op grond van artikel 432 lid 1 onder Pro c van het Wetboek van Strafvordering moet een cassatieberoep binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien de verdachte tevoren bekend was met de datum van de terechtzitting. Omdat de verdachte met de datum bekend was, had het cassatieberoep uiterlijk 8 augustus 2024 moeten worden ingediend.

Het cassatieberoep werd echter pas op 4 december 2024 ingesteld, ruim na de termijn. De Hoge Raad oordeelt daarom dat het beroep niet-ontvankelijk is en neemt het cassatieberoep niet in behandeling.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/04414
Datum23 juni 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 25 juli 2024, nummer 20-001303-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat E.E.W.J. Maessen bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1
Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep is onder meer het volgende van belang.
- Een akte van uitreiking houdt in dat de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van 11 juli 2024 tweemaal – op 21 mei 2024 en op 4 juni 2024 – is aangeboden aan het BRP-adres van de verdachte, maar dat telkens niemand aanwezig of bereid was om de dagvaarding aan te nemen. Een andere akte van uitreiking houdt in dat die dagvaarding op 19 juni 2024 is uitgereikt aan het openbaar ministerie en dat een afschrift is verzonden aan het BRP-adres van de verdachte.
- Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 juli 2024 houdt onder meer in:
“De verdachte (...)
is, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet ter terechtzitting aanwezig.
Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. J.M.H.J. Colen, advocaat te Terneuzen, die verklaart niet uitdrukkelijk door de verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren.
De raadsman geeft te kennen:
Ik ben niet door cliënt gemachtigd om de verdediging te voeren. Ik heb gisteren met cliënt gesproken. Hij heeft een groot belang bij de behandeling van zijn strafzaak, maar cliënt werkt als steigerbouwer en hij kan geen vrij krijgen van zijn werk.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.”
- Het arrest van het hof is uitgesproken op 25 juli 2024.
- Namens de verdachte is op 4 december 2024 cassatieberoep ingesteld.
2.2
In artikel 432 lid Pro 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is bepaald dat het cassatieberoep moet worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak als zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.
2.3
Volgens het onder 2.1 weergegeven proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 juli 2024 heeft de raadsman van de verdachte daar medegedeeld dat hij de verdachte de dag voor die terechtzitting heeft gesproken, dat de verdachte een groot belang heeft bij de behandeling van zijn strafzaak, maar dat de verdachte werkt als steigerbouwer en geen vrij kan krijgen van zijn werk. Daaruit moet worden afgeleid dat de verdachte met de dag van de terechtzitting van het hof van 11 juli 2024 tevoren bekend was. Daarom had op grond van artikel 432 lid Pro 1, aanhef en onder c, Sv het cassatieberoep moeten worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak van het hof van 25 juli 2024. Het beroep is echter pas ingesteld op 4 december 2024. Dit brengt mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep niet in behandeling kan nemen.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
23 juni 2026.