Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:965

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
24/02550
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake navorderingsaanslagen inkomstenbelasting

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 mei 2024, waarin het hof het hoger beroep van belanghebbende tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2012 tot en met 2015 heeft behandeld.

De Hoge Raad heeft de ingediende klachten tegen het arrest van het hof beoordeeld en geoordeeld dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad heeft daarbij geen motivering gegeven omdat de klachten geen vragen van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht bevatten, zoals bedoeld in artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

Verder heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen en heeft het beroep in cassatie ongegrond verklaard. Het arrest is op 19 juni 2026 in het openbaar gewezen door de raadsheren Faase, Cools en Peters.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/02550
Datum19 juni 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 mei 2024, nrs. BK-ARN 21/986 tot en met 21/993 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 19/3734 tot en met 19/3736 en 19/3738 tot en met 19/3742) tegen de aan belanghebbende over de jaren 2012 tot en met 2015 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.L. Faber, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.F. Faase als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.