ECLI:NL:HR:2026:971
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake naheffingsaanslag omzetbelasting
Belanghebbende, een vennootschap onder firma, was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over een naheffingsaanslag omzetbelasting over de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015, inclusief de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. Na een uitspraak van de Rechtbank Gelderland werd hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Beide partijen, belanghebbende en de Inspecteur, gingen in hoger beroep.
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van belanghebbende tegen de uitspraak van het hof. De klachten van belanghebbende werden door de Hoge Raad beoordeeld, maar leidden niet tot vernietiging van de uitspraak van het hof. De Hoge Raad motiveerde niet nader waarom de klachten ongegrond werden verklaard, omdat dit niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Ten aanzien van de proceskosten zag de Hoge Raad geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen. Het arrest werd gewezen door de raadsheren Faase, Cools en Peters en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het hof bevestigd.