Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
23 januari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 23 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse arbitrale vonnissen. De zaak betreft een geschil tussen de National Iranian Oil Company (NIOC) en Crescent Gas Corporation Limited en Crescent Petroleum Company International Limited, hierna gezamenlijk aangeduid als Crescent c.s. NIOC had in cassatie beroep ingesteld tegen een beschikking van het gerechtshof Den Haag, die de erkenning en tenuitvoerlegging van twee arbitrale vonnissen had toegewezen. De arbitrale vonnissen betroffen een geschil over de verkoop en levering van gas, waarbij het scheidsgerecht in Londen had geoordeeld dat NIOC aansprakelijk was voor schade aan Crescent c.s. en een aanzienlijk bedrag moest betalen.
De Hoge Raad heeft in zijn beoordeling het asymmetrisch rechtsmiddelenverbod, zoals neergelegd in artikel 1075 (oud) van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel III van het Verdrag van New York, bevestigd. Dit verbod houdt in dat er geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen een beschikking tot erkenning en tenuitvoerlegging van een buitenlands arbitraal vonnis, tenzij er sprake is van doorbrekingsgronden. NIOC had betoogd dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat het asymmetrisch rechtsmiddelenverbod van toepassing was, maar de Hoge Raad heeft dit standpunt verworpen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de argumenten van NIOC niet voldoende waren om van zijn eerdere rechtspraak terug te komen.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van NIOC verworpen en haar veroordeeld in de kosten van het geding. De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van het asymmetrisch rechtsmiddelenverbod in het kader van de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse arbitrale vonnissen, wat van belang is voor de rechtszekerheid en de uitvoering van internationale arbitrale uitspraken.