Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
23 januari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak staat de tenuitvoerlegging van een buitenlands arbitraal vonnis centraal, waarbij de Nationale Iraanse Oliemaatschappij (NIOC) cassatie instelde tegen een beschikking van het gerechtshof Den Haag. Het geschil betreft een arbitrageprocedure over de verkoop en levering van gas, waarbij Crescent c.s. een arbitrageprocedure startte en arbitrale vonnissen verkreeg die NIOC aansprakelijk stellen voor aanzienlijke schade.
De voorzieningenrechter en het hof hadden het verzoek van Crescent c.s. tot erkenning en tenuitvoerlegging van deze arbitrale vonnissen toegewezen. NIOC stelde zich ontvankelijk in hoger beroep, stellende dat het asymmetrisch rechtsmiddelenverbod niet van toepassing is of dat doorbrekingsgronden aanwezig zijn. Het hof verwierp deze doorbrekingsgronden en bevestigde de toepassing van het asymmetrisch appelverbod, verwijzend naar eerdere arresten van de Hoge Raad.
De Hoge Raad bevestigt in deze beschikking het oordeel van het hof en wijst het cassatieberoep van NIOC af. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om af te wijken van zijn eerdere jurisprudentie, waarin het asymmetrisch rechtsmiddelenverbod bij de tenuitvoerlegging van buitenlandse arbitrale vonnissen wordt gehandhaafd om strijd met het discriminatieverbod van het Verdrag van New York te voorkomen. Tevens veroordeelt de Hoge Raad NIOC in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep van NIOC af en bevestigt het asymmetrisch rechtsmiddelenverbod bij de tenuitvoerlegging van buitenlandse arbitrale vonnissen.