Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
23 juni 2026.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor medeplichtigheid aan de teelt en aanwezigheid van hennep in een woning te Amsterdam. Het hof baseerde zich op de vaststelling dat verdachte in een eerdere zaak onherroepelijk was veroordeeld voor medeplichtigheid aan hennepteelt en dat er grote overeenkomsten waren tussen beide zaken. De verdachte had in beide gevallen woningen gehuurd en energiecontracten afgesloten zonder er zelf te verblijven, terwijl zij daarvoor een beloning ontving van de werkelijke daders.
De verdachte voerde in cassatie aan dat het vereiste opzet op het grondfeit niet uit de bewijsvoering kon worden afgeleid. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof terecht had geoordeeld dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de teelt en aanwezigheid van hennep, mede gelet op haar eerdere veroordeling en de grote overeenkomsten tussen de zaken.
De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en constateerde dat de redelijke termijn was overschreden, maar dat dit geen aanleiding gaf tot een ander rechtsgevolg gezien de opgelegde lichte straf. Hiermee blijft de veroordeling van verdachte voor medeplichtigheid aan hennepteelt in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor medeplichtigheid aan hennepteelt op basis van voorwaardelijk opzet en eerdere veroordeling.