Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:999

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
23/04885
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 48 SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep medeplichtigheid hennepteelt op basis van eerdere veroordeling en overeenkomsten

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor medeplichtigheid aan de teelt en aanwezigheid van hennep in een woning te Amsterdam in de periode mei 2019 tot februari 2020. Het hof baseerde zich op bewijsmiddelen waaronder verklaringen van de verdachte, processen-verbaal van politieonderzoeken, huur- en energiecontracten op naam van de verdachte, en de vaststelling dat de verdachte nooit in de woningen verbleef maar deze tegen betaling voor anderen huurde.

De verdachte was eerder onherroepelijk veroordeeld voor medeplichtigheid aan hennepteelt in een vergelijkbare situatie waarbij zij eveneens woningen huurde en de huur- en energiekosten liet betalen door derden. Het hof oordeelde dat de verdachte, gelet op de grote overeenkomsten en haar eerdere veroordeling, het vereiste (voorwaardelijke) opzet had op de hennepteelt en aanwezigheid van hennep in de woning.

De Hoge Raad bevestigt dat het hof niet onjuist heeft geoordeeld en dat het bewijs toereikend is om het vereiste opzet aan te nemen. Het cassatieberoep faalt. De redelijke termijn is overschreden, maar gezien de lichte straf (voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf) wordt geen ander rechtsgevolg verbonden. Het beroep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor medeplichtigheid aan hennepteelt wordt bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/04885
Datum23 juni 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 30 november 2023, nummer 23-003131-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten M.A.C. de Bruijn en L.C. Hemmer bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel richt zich tegen de bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde. Het klaagt dat het voor medeplichtigheid vereiste opzet op het grondfeit niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is onder 1 subsidiair bewezenverklaard dat:
“een of meer onbekend gebleven personen in de periode 17 mei 2019 t/m 18 februari 2020 te Amsterdam met elkaar, althans één van hen, opzettelijk hebben geteeld en opzettelijk aanwezig hebben gehad in een pand aan de [a-straat 1] een hoeveelheid van in totaal ongeveer 337 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode 17 mei 2019 t/m 18 februari 2020 te Amsterdam, meermalen telkens opzettelijk gelegenheid heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest, door
- aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen en
- de huur voor die woning aan de [a-straat 1] te betalen en
- de rekeningen voor de energiekosten te betalen.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 25 november 2022.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik zocht een woning. Ik heb toen een bekende gesproken die een oplossing had bedacht. Die persoon zei: ik huur een woning voor je en jij kan je daar inschrijven. (...)
Toen moest ik een kopie van mijn paspoort inleveren. Dat heb ik gedaan. (...)
U houdt mij voor dat de huur van de woning vanaf mijn bankrekening werd betaald. Dat klopt. Ik had mijn bankgegevens en een kopie van mijn paspoort gegeven. (...)
U vraagt mij hoe het dan met het geld zat. Dat betaalde hij. U vraagt mij hoe hij dat betaalde. (...) Hij betaalde het van zijn geld. U vraagt mij hoe het dan kan dat het geld van mijn rekening werd afgeschreven. (...)
Wij spraken ergens af, hij gaf mij contant geld en ik moest dat storten om de huur te betalen.
U, politierechter, vraagt mij wie het energiecontract heeft afgesloten. Ik moest dat doen van hem. U, politierechter, zegt dat je bij het afsluiten van een energiecontract ook een adres moet opgeven en vraagt mij of het klopt dat ik het adres kende. Ja, dat klopt.
Ik wilde niet zelf aan de [a-straat] gaan wonen.
2. Een proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 19 februari 2020 met bijlagen, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina’s 25 tot en met 41.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten:
Ter zake een verdenking van overtreding van de Opiumwet stelden wij op 18 februari 2020 een onderzoek in op het adres de [a-straat 1] , [plaats] . Op het genoemde adres staat volgens het GBA niemand ingeschreven.
Het bleek dat op genoemd adres een hennepkwekerij met planten aanwezig was. Het pand betreft een flat op de 4e etage van een woonblok van 8 woonlagen.
Wij zagen dat er in de woning twee ruimtes waren ingericht voor het vervaardigen van softdrugs. Deze ruimtes zullen verder ruimte A en B genoemd worden. Verder zagen wij ook dat er twee ruimtes als opslagruimte dienden. Deze ruimtes zullen verder worden benoemd als ruimte C en D. Wij troffen de volgende goederen aan in ruimte A:
- 196 hennepplanten
- 29 armaturen
- 32 assimilatielampen
- 1 schakelbord
- 27 transformatoren
- 1 koolstoffilter
- 3 slakkenhuizen
- 3 ventilatoren
- 1 opticlimate
- 1 kachel
Wij troffen de volgende goederen aan in ruimte B:
- 141 hennepplanten
- 11 assimilatielampen
- 11 armaturen
- 12 transformatoren
- 1 koolstoffilter
- 1 slakkenhuis
- 4 ventilatoren
- 1 hygro-ph/ec en thermometer
- 1 groeitent
Wij troffen de volgende goederen aan in ruimte C:
- 1 armatuur
- 1 transformator
- 1 luchtbevochtiger
- 1 water-, beluchting- en dompelpomp
Wij troffen de volgende goederen aan in ruimte D:
- 2 ventilatoren
- 4 groeimiddelen
Wij constateerden gezien de waargenomen uiterlijke kenmerken, kleur en vorm, en daarnaast de herkenbare geur, dat de aangetroffen planten hennepplanten betroffen. De bovenstaande hennep is vermeld op lijst II behorende bij de Opiumwet en verboden in artikel 3 en Pro strafbaar gesteld in artikel 11 van Pro de Opiumwet.
3. Een proces-verbaal van bevindingen van 18 maart 2020 met bijlagen, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] , doorgenummerde pagina’s 53 tot en met 81.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Op 21 februari 2020 heb ik via de officier van justitie [naam 1] bij [A] een vordering gedaan tot overgave van het huurcontract en onderliggende documentatie van de woning [a-straat 1] te [plaats].
Op 26 februari 2020 ontving ik het huurcontract, onderliggende documentatie en betaalrekening van [A] . Deze zullen worden bijgevoegd bij het proces verbaal. De betaalrekening is: [rekeningnummer 1] ten name van [verdachte] .
In het huurcontract zie ik dat de woning werd gehuurd door [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1989. Wonende te [b-straat 1] , [plaats] . Ik zie dat het huurcontract is ingegaan op 1 mei 2019 voor de gedurende tijd van vijfentwintig kalendermaanden, voor het bedrag van 1345 euro per maand.
Ik zie dat er in het huurcontract één aan de achternaam afwijkt van de betaalrekening. Echter komen de rest van de gegevens geheel overheen met de in de politiesystemen gevonden persoon genaamd: [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] .
Tevens staan diezelfde gegevens in de ontvangen werkgeversverklaring staan.
Ik zie dat het bedrijf betreft: [B] . Aan de [c-straat 1] te [plaats] . Tevens zie ik dat [verdachte] een bruto jaarsalaris van 75.600 euro ontvangt.
4. Een proces-verbaal van bevindingen van 12 december 2020 met bijlage, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] , doorgenummerde pagina’s 82 tot en met 84.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Na het opvragen van de stroomcontract en betaalgegevens bij Vattenfall overlegde zij mij het volgende:
Begin datum contract: 01-05-2019
Contract staat op naam van: [verdachte]
Geboorte datum contractant: [geboortedatum] 1989
Telefoonnummer contractant: [telefoonnummer 1]
Mailadres contractant: [e-mailadres 1] en [e-mailadres 2] Betalende rekeningnummer: [rekeningnummer 1]
Na het verkrijgen van het rekeningnummer van Vattenfall heb ik de NAW gegevens van deze rekeningnummer opgevraagd. Deze rekeningnummer blijkt op naam te staan van
Achternaam [verdachte]
Voornaam [...]
Geboortedatum [geboortedatum] 1989
Adresgegevens [d-straat 1] , [plaats]
Huidige status rekening Actief
Het stroom contractant, huurcontract en rekeningnummer staan allemaal op de zelfde naam.
5. Een proces-verbaal van bevindingen van 1 juli 2022 met bijlage, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] , doorgenummerde pagina’s 85 tot en met 87.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Op 3 mei 2022 heb ik een vordering binnengekregen van de ABN-AMRO over de historische gegevens van het bankrekeningnummer: [rekeningnummer 1] .
Ik zag dat het bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] sinds 5 mei 2010 op naam staat van:
Naam: [verdachte]
Adres: [d-straat 1]
Postcode en Woonplaats: [plaats]
Geboortedatum: [geboortedatum] 1989.
Ik zag dat [verdachte] de procuratiehouder is van het genoemde rekeningnummer. Ik zag dat er geen gemachtigde(n) zijn geweest in het verleden.
Uit het politiedossier met parketnummer 18-189245-16 van de zaak die heeft geleid tot de (onherroepelijke) veroordeling van de verdachte door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland op 16 maart 2017:
6. Een proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte van 1 juli 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , doorgenummerde pagina’s 136 tot en met 139.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verdachte:
Huurovereenkomst [e-straat 1] [plaats]
V: Kun je in chronologische volgorde zeggen hoe de dingen zijn gegaan, hoe ben je benaderd hoe is het gegaan, je contacten met makelaars het huurcontract de salarisstroken je rekeningoverzicht wat gebeurde er nadat het pand was gehuurd. Waar komt het geld vandaan op je bankrekeningnummer?
V: Ik heb een man leren kennen in het uitgaansleven in Amsterdam. We raakten aan de praat en leren elkaar een beetje kennen. Hij vroeg of ik geld wilde verdienen. Ik zat zonder baan ik had schulden, kon geen rekeningen meer betalen. Ik dacht er niet lang over na en toen heb ik ja gezegd. Toen begonnen we met het zoeken van een pand. (...) Die man heeft de salarisstroken geregeld voor mij. (...) In ieder geval toen gingen wij langs om het contract te tekenen. (...) Volgens mij heb ik toen een of twee keer de huur overgemaakt. En voor de rest ben ik helemaal niet meer in Sneek geweest.
V: Wat was jouw beloning voor je deelname?
A: De afspraak was dat ik 5000 euro zou krijgen. Nadat ze waren volgroeid of zo. V: Wist je dat er een hennepkwekerij zou komen in het pand?
A: Ja dat wist ik.
V: Het geld dat je op je rekening gestort kreeg van wie was dat?
A: Van hen die er achter zitten het was voor de huur bestemd.”
2.2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder onder meer overwogen:
“De raadsman heeft vrijspraak bepleit van alle tenlastegelegde feiten. Mede gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad over het opzet bij medeplichtigheid aan de teelt van hennep moet worden geconcludeerd dat het dossier onvoldoende bewijs bevat voor strafrechtelijke betrokkenheid van de verdachte bij de hennepplantage aan de [a-straat 1] te [plaats] . Toevoeging door het hof van het dossier in de oudere zaak voegt in dit opzicht niets toe voor het bewijs, aldus de verdediging.
De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat alle tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen. Omdat de verklaring van de verdachte in de onderhavige zaak als ongeloofwaardig moet worden beschouwd, kan het niet anders dan dat zij wist van de hennepplantage op de [a-straat 1] te [plaats] . Zij was bovendien een gewaarschuwd mens door de veroordeling in de eerdere zaak. Opzet kan daarom in de onderhavige zaak ook worden bewezen, aldus de advocaat-generaal.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het politiedossier van de zaak die heeft geleid tot de (onherroepelijke) veroordeling door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland op 16 maart 2017 voor medeplichtigheid aan de teelt van hennep blijkt het volgende. De verdachte was huurder van de woning waarin de hennepplantage werd aangetroffen. Zij heeft in die zaak bij de politie verklaard dat zij op de hoogte was van het voornemen om in de woning een hennepplantage op te bouwen. Ze had een man leren kennen die haar een beloning (€ 5.000,00) in het vooruitzicht stelde als zij de woning zou huren en op haar naam zou zetten. In deze woning heeft zij zelf nooit verbleven. De man zorgde voor zowel de aan de verhuurder aan te leveren salarisstroken ten behoeve van het afsluiten van het huurcontract als de geldbedragen die vervolgens op de rekening van de verdachte werden gestort, waarmee zij de huur- en energiekosten kon betalen.
In de zaak betreffende de [a-straat 1] te [plaats] (de onderhavige verdenking) blijkt uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting bij de politierechter wederom dat sprake was van een man die haar een beloning in het vooruitzicht stelde (ditmaal - naar eigen zeggen - een inschrijfadres) als zij een woning op haar naam zou huren. Uit het dossier blijkt verder dat de verdachte ook hier het energiecontract op haar naam heeft gezet en dat de man haar het geld betaalde om de huur en de energierekening te voldoen. Ook in dit geval heeft zij - naar eigen zeggen - nooit in de woning verbleven.
Het hof is van oordeel dat de verdachte in de onderhavige zaak gelet op de grote overeenkomsten met de vorige zaak en haar onherroepelijke veroordeling daarvoor (minst genomen) willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij zich wederom schuldig zou maken aan medeplichtigheid aan de teelt van hennep door de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] te huren op de wijze en onder de omstandigheden zoals hiervoor geschetst.”
2.3
Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte opzettelijk gelegenheid heeft verschaft tot en opzettelijk behulpzaam is geweest bij het plegen van een misdrijf, te weten het telen en het opzettelijk aanwezig hebben van hennep. Daartoe is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op het verschaffen van gelegenheid en het behulpzaam zijn als bedoeld in artikel 48, aanhef en onder 1º en 2º, van het Wetboek van Strafrecht, maar ook dat het opzet van de verdachte al dan niet in voorwaardelijke vorm was gericht op dat misdrijf (vgl. HR 13 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4372).
2.4.1
Het hof heeft onder meer het volgende vastgesteld. De verdachte is in een eerdere strafzaak veroordeeld voor medeplichtigheid aan de teelt van hennep. In die zaak had de verdachte voor een ander een woning gehuurd, waarin vervolgens een hennepplantage was aangetroffen, en heeft de verdachte bij de politie verklaard dat zij op de hoogte was van het voornemen om in de woning een hennepplantage op te bouwen. Na deze veroordeling heeft de verdachte de in de tenlastelegging bedoelde woning voor een ander gehuurd. Ook in die woning is vervolgens een hennepplantage aangetroffen. In beide zaken heeft de verdachte nooit in de betreffende woningen verbleven, liet zij tegen een beloning de huur en het energiecontract voor die woningen op haar naam zetten en kreeg zij het geld om de huur en de energierekening te voldoen van degene die haar de beloning in het vooruitzicht had gesteld.
2.4.2
Op basis van onder meer deze vaststellingen heeft het hof geoordeeld dat, “gelet op de grote overeenkomsten met de vorige zaak en haar onherroepelijke veroordeling daarvoor”, de verdachte het voor de medeplichtigheid vereiste (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de teelt en de aanwezigheid van hennep. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.
2.5
Het cassatiemiddel faalt.

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en de taakstraf van veertig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
23 juni 2026.