ECLI:NL:KTGROT:2000:AA7304
Kantongerecht Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid kennelijk onredelijk wegens onvoldoende afvloeiingsregeling
De kantonrechter te Rotterdam behandelde een zaak waarin een werknemer, langdurig arbeidsongeschikt sinds maart 1997, door zijn werkgever CKT werd ontslagen met toestemming van de Regionaal Directeur Arbeidsvoorzieningsorganisatie (RDA). De werknemer stelde dat zijn arbeidsongeschiktheid mede veroorzaakt werd door structurele overbelasting en verwijtbare tekortkomingen van de werkgever, en dat het ontslag kennelijk onredelijk was. Hij vorderde een schadevergoeding op grond van artikel 7:681 BW Pro en een gefixeerde schadevergoeding wegens te korte opzegtermijn.
De werkgever betwistte dat de arbeidsongeschiktheid door haar was veroorzaakt en voerde aan voldoende zorgplicht te hebben betracht. Ook stelde zij dat de opzegtermijn conform CAO was gehanteerd. De kantonrechter oordeelde dat de werknemer onvoldoende had onderbouwd dat de arbeidsongeschiktheid door het werk was veroorzaakt en dat de stellingen niet overtuigend waren. Wel achtte de kantonrechter het ontslag kennelijk onredelijk vanwege het ontbreken van een passende financiële afvloeiingsregeling, gelet op de lange duur van het dienstverband, de leeftijd van de werknemer en de geringe kansen op re-integratie.
De kantonrechter wees een schadevergoeding van ƒ50.000,-- bruto toe en een gefixeerde schadevergoeding van ƒ10.161,-- bruto wegens een te korte opzegtermijn van vier maanden in plaats van vijf maanden, zoals vereist volgens de geldende CAO en wetgeving. De werkgever werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het ontslag is kennelijk onredelijk en werknemer krijgt een schadevergoeding van ƒ50.000,-- en een gefixeerde vergoeding van ƒ10.161,-- wegens te korte opzegtermijn.