ECLI:NL:KTGZWO:2000:AB1449

Kantongerecht Zwolle

Datum uitspraak
5 december 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
119269 CV 00-599
Instantie
Kantongerecht Zwolle
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewijsverdeling en causaal verband bij salmonellabesmetting door besmet ijsje

In deze zaak vordert eiseres schadevergoeding wegens salmonellabesmetting die zij heeft opgelopen na consumptie van een ijsje gekocht bij gedaagde. Het onderzoek naar de exacte salmonellasoort bij eiseres kon niet worden herhaald omdat monsters ontbraken, maar het RIVM had vastgesteld dat de ijsjes besmet waren met salmonella van een andere groep dan bij eiseres werd aangetroffen. Gedaagde betwist het causaal verband tussen de besmetting en het ijsje.

De kantonrechter oordeelt dat het verkopen van besmet ijsje een wanprestatie is en dat het risico van ziekte door de verkoper is gecreëerd. Op grond van vaste rechtspraak, waaronder het arrest Dicky Trading II en het Sint-Willibrordarrest, rust op gedaagde de bewijslast om aan te tonen dat de ziekte ook zonder consumptie van het ijsje zou zijn ontstaan.

De kantonrechter geeft gedaagde de gelegenheid om een gespecificeerd bewijsaanbod te doen en dit standpunt te bewijzen. Tevens worden beide partijen verzocht hun beschikbaarheid voor een getuigenverhoor op te geven. Hoger beroep is uitgesloten tot het eindvonnis.

Uitkomst: Gedaagde wordt in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren dat de ziekte ook zonder consumptie van het ijsje zou zijn ontstaan.

Uitspraak

KANTONGERECHT TE ZWOLLE
zaaknr.: 119269 CV 00-599
datum : 5 december 2000
Vonnis in de zaak van:
[eiseres],
wonende te Nieuwleusen,
eisende partij,
gemachtigde mr. G.J. Hollema, advocaat te Zwolle,
tegen
1. de vennootschap onder firma [gedaagde] V.O.F.,
gevestigd te Zwolle,
2. [vennoot gedaagde], en
3. [vennoot gedaagde],
beiden wonende te Zwolle,
gedaagde partij,
gemachtigde H.J. van Dijk, deurwaarder te Zwolle.
Het procedureverloop
[eiseres] heeft gereageerd op de haar in het tussenvonnis van 4 juli 2000 gestelde vragen, waarna [gedaagde] daar weer op heeft kunnen reageren. Vervolgens is vonnis bepaald.
De beoordeling
1.
Uit de door [eiseres] verschafte informatie volgt dat heronderzoek naar de typering van de bij haar geconstateerde salmonellabesmetting niet heeft kunnen plaatsvinden omdat de monsters niet bewaard waren. Voorts behoort de bij haar geconstateerde infectie tot salmonellagroep B en de salmonellasoort in de ijsjes van de Snackcounter tot salmonellagroep D, terwijl volgens Dr. Ruijs verwarring tussen beide groepen in principe niet bij het onderzoek mogen voorkomen doch niet geheel uit te sluiten zijn.
[gedaagde] blijft erbij dat de discrepantie tussen de beide aangetroffen salmonellagroepen te groot is om voldoende causaal verband aan te nemen tussen het eten van het ijsje en de ziekte van [eiseres]. De suggestie dat het RIVM de in de ijsjes aangetroffen salmonella onjuist of onvolledig heeft getypeerd wordt, als speculatief, van de hand gewezen.
2.
De vraag is thans op wie de bewijslast rust van hetzij het causaal verband, hetzij het ontbreken van (voldoende) causaal verband.
De kantonrechter stelt vast dat de door het RIVM gecontroleerde partij ijsjes bij [gedaagde] besmet was met salmonella van een bepaald type, dat daarin niet mag voorkomen. Voldoende aannemelijk is dat het aan [eiseres] verkochte ijsje tot die partij behoorde en dus ook besmet was met deze salmonella. Het verkopen van zo'n ijsje is, hoezeer [gedaagde] ook onbekend was met de besmetting, wanprestatie van de verkoper. Door die wanprestatie is het risico van ontstaan van ziekte bij de consument in het leven geroepen en dat risico heeft zich ook verwezenlijkt: [eiseres] is ziek geworden. Op de voet van het arrest Dicky Trading II, gewezen door de Hoge Raad op 26 januari 1996 en gepubliceerd in NJ 1996, 607, is daarmee het causale verband tussen de verkoop van het ijsje en de ontstane schade in beginsel gegeven en rust op [gedaagde] vervolgens de stelplicht en bewijslast om duidelijk te maken dat de schade van [eiseres] ook zou zijn ontstaan indien zij het bewuste ijsje niet had gekocht en geconsumeerd. Deze wijze van risicoverdeling bij gevaarzetting heeft de Hoge Raad onlangs herhaald in het Sint-Willibrordarrest (16 juni 2000, NJ 2000, 584) zodat aangenomen moet worden dat dit vaste rechtspraak is.
3.
Het voorgaande brengt mee dat [gedaagde]desgewenst een gespecificeerd bewijsaanbod mag doen van haar veronderstelde standpunt dat de schade door ziekte van [eiseres] ook zou zijn ontstaan indien zij het bewuste ijsje niet had gekocht en geconsumeerd.
Voor het geval [gedaagde] dat aanbod doet, wordt zij tot bewijs daarvan toegelaten. Met het oog daarop dienen beide partijen hun verhinderdata op te geven voor een te houden getuigenverhoor zoals hierna vermeld.
De beslissing
De Kantonrechter:
- stelt [gedaagde] in de gelegenheid een gespecificeerd bewijsaanbod te doen van de stelling dat de schade door ziekte van [eiseres] ook zou zijn ontstaan indien zij het bewuste ijsje niet had gekocht en geconsumeerd, en stelt [gedaagde] vervolgens in de gelegenheid die stelling te bewijzen;
- bepaalt voorts het navolgende: (...)
- sluit hoger beroep tegen dit vonnis uit tot eindvonnis.
Aldus gewezen door mr. M.E.L. Fikkers, kantonrechter te Zwolle, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 5 december 2000, in tegenwoordigheid van de griffier.
op verzoek van partijen is de zaak hierna geroyeerd