ECLI:NL:OGAACMB:2016:2
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bezwaar gegrond tegen disciplinaire inhouding inkomen wegens vermeend plichtsverzuim ambtenaar
Klager werd door een landsbesluit van 11 november 2014 gestraft met gedeeltelijke inhouding van zijn inkomen wegens vermeende ongeoorloofde afwezigheid van 1 juli 2011 tot 12 januari 2014. Het bestreden besluit verwijt klager dat hij zich niet heeft gemeld bij de Dienst X om zijn werkzaamheden na terbeschikkingstelling bij instelling Y te hervatten.
Klager stelde dat het voor hem onduidelijk was waar hij vanaf 1 juli 2011 te werk was gesteld. Hij meldde zich zowel bij Y als bij Dienst X, maar kreeg bij Y geen toegang en bij Dienst X te horen dat hij een nieuwe beslissing moest afwachten. Hij heeft zich regelmatig bij het Bestuurskantoor gemeld en tot juni 2012 zelfs één keer per week een opleiding verzorgd.
De verweerder heeft deze stellingen onvoldoende gemotiveerd betwist. Gezien ook een sollicitatie van klager eind 2011 en een brief van de minister van Volksgezondheid en Sport, oordeelt het gerecht dat klager voldoende stappen heeft ondernomen om zijn werkzaamheden te hervatten. Van plichtsverzuim is geen sprake, waardoor de disciplinaire maatregel geen wettelijke grondslag heeft en wordt vernietigd. Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
Uitkomst: Het bezwaar van klager wordt gegrond verklaard en het landsbesluit van 11 november 2014 wordt vernietigd.