ECLI:NL:OGAACMB:2017:1

Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
16 januari 2017
Publicatiedatum
24 januari 2017
Zaaknummer
GAZA nrs. 530 en 1914 van 2016
Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N.K. Engelbrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 Landsverordening ambtenarenrechtspraakArt. 4 lid 3 BRAArt. 89 LAArt. 97 lid 1 LAArt. 98 lid 1 LA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bezwaar tegen ingangsdatum bevordering adjunct-commies bij Korps Politie Aruba

Klaagster, werkzaam bij het Korps Politie Aruba, maakte bezwaar tegen twee Landsbesluiten waarin haar bevordering tot adjunct-commies met ingang van 1 oktober 2014 werd vastgesteld. Zij stelde dat de bevordering reeds per 1 oktober 2013 had moeten ingaan, omdat zij aan de bevorderingseisen voldeed en het behalen van het diploma Buitengewoon Agent van Politie (BOA) geen vereiste was voor haar bevordering.

Het gerecht overwoog dat de bevoegdheid tot bevordering discretionair is en slechts terughoudend wordt getoetst. Uit de stukken bleek dat de functie-eis van het bezit van het BOA-diploma pas vanaf 1 oktober 2014 werd behaald door klaagster. Niet was gebleken dat haar plaatsing in 2012 onder de voorwaarde van het diploma was gesteld, zodat zij geacht werd aan de functie-eisen te voldoen of dat met toepassing van artikel 4, lid 3 BRA was afgeweken.

Het gerecht concludeerde dat de motivering van de ingangsdatum van 1 oktober 2014 niet kan worden gedragen en vernietigde de bestreden beschikkingen voor zover zij een eerdere bevordering weigerden. Verweerder werd opgedragen binnen twee maanden een nieuwe beslissing te nemen over de ingangsdatum van de bevordering, met inachtneming van de uitspraak.

De uitspraak werd gedaan door ambtenarenrechter N.K. Engelbrecht op 16 januari 2017 en is openbaar. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid van hoger beroep binnen dertig dagen.

Uitkomst: Het bezwaar van klaagster tegen de ingangsdatum van haar bevordering is gegrond verklaard en de bestreden beschikkingen zijn vernietigd voor zover zij de eerdere ingangsdatum weigerden.

Uitspraak

Uitspraak van 16 januari 2017
GAZA nrs. 530 en 1914 van 2016
HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het bezwaar van:
[klaagster],
wonende in Aruba,
KLAAGSTER,
gemachtigde: de advocaat mr. A.J. Swaen,
gericht tegen:
DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,
zetelende in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: de heer A. Lumenier (DWJZ).

1.PROCESVERLOOP

GAZA-530/16

1.1
Bij Landsbesluit van 17 februari 2016 no. 40 is klaagster met ingang van 1 september 2012 geplaatst in de functie van senior recherche assistent bij het Korps Politie Aruba en met ingang van 1 oktober 2014 bevorderd naar de rang van adjunct-commies, met vaststelling van de bezoldiging in schaal 6, dienstjaar 9, en de datum van de eerstvolgende periodieke verhoging van bezoldiging op 1 oktober 2015.
1.2
Tegen dit Landsbesluit (hierna: de bestreden beschikking I) heeft klaagster op 15 maart 2016 bezwaar gemaakt.

1.3
Bij Landsbesluit van 23 juni 2016 no. 4 is klaagster met ingang van 1 september 2012 uit de functie van medewerker preventie bewaking bij het Openbaar Ministerie ontheven en geplaatst in de functie van senior recherche assistent bij het Korps Politie Aruba, en met ingang van 1 oktober 2014 bevorderd naar de rang van adjunct-commies, met vaststelling van de bezoldiging in schaal 6, dienstjaar 9, en de datum van de eerstvolgende periodieke verhoging van bezoldiging op 1 oktober 2015.
1.4
Tegen dit Landsbesluit (hierna: de bestreden beschikking II) heeft klaagster op 16 augustus 2016 bezwaar gemaakt.
1.3
De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 29 augustus 2016, alwaar klaagster bijgestaan door haar gemachtigde is verschenen en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen.
1.4
Uitspraak is vervolgens bepaald op heden.

2.OVERWEGINGEN

De ontvankelijkheid in GAZA-1914/16

2.1
Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (hierna: La), dient het bezwaarschrift te worden ingediend binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de aangevallen beschikking is uitgesproken. Het derde lid van voornoemd artikel van de La bepaalt dat, indien het bezwaar na de daarvoor bepaalde termijn is ingediend, die indiener niet op grond daarvan niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien hij ten genoegen van de rechter aantoont het bezwaar te hebben ingebracht binnen dertig dagen na de dag waarop hij van de aangevallen beschikking kennis heeft kunnen dragen.
2.2
Klaagster heeft onweersproken gesteld dat zij de bestreden beschikking II op 18 juli 2016 heeft ontvangen, zodat het gerecht ervan uitgaat dat zij haar bezwaarschrift heeft ingediend binnen dertig dagen na de dag waarop zij de bestreden beschikking heeft ontvangen. Klaagster is derhalve ingevolge artikel 41, lid 3 van de La ontvankelijk.

2.3
In de bestreden beschikking II wordt overwogen dat het wenselijk is de bestreden beschikking I in te trekken, wegens een geconstateerde fout in het dictum van die beschikking. De bestreden beschikking I is uiteindelijk niet ingetrokken. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder te kennen gegeven dat dit wel de bedoeling was.
2.4
Reeds gelet hierop en nu de bestreden beschikkingen dezelfde beslissing inhouden en de bestreden beschikking II (slechts) een nadere onderbouwing geeft aan de bevordering van klaagster met ingang van 1 oktober 2014 naar de rang van adjunct-commies, is het gerecht van oordeel dat het bezwaar gericht tegen de bestreden beschikking I gegrond dient te worden verklaard en die beschikking dient te worden vernietigd.

2.5
Klaagster kan zich niet verenigen met de ingangsdatum van 1 oktober 2014 van de bevordering naar de rang van adjunct-commies in schaal 6, dienstjaar 9 en meent dat zij met ingang van 1 oktober 2013 dient te worden bevorderd.
Zij heeft ter onderbouwing van haar standpunt - kort samengevat - aangevoerd dat zij laatstelijk bij Landsbesluit van 23 augustus 2010 met ingang van 1 oktober 2009 is bevorderd naar de rang van hoofdklerk, en dat zij voldoet aan de bevorderingseisen om met ingang van 1 oktober 2013 te worden bevorderd. Voorts, dat haar meermalen is meegedeeld dat zij de opleiding voor Buitengewoon Agent van Politie diende te volgen maar dat het behalen van het diploma Buitengewoon Agent van Politie geen vereiste was voor haar benoeming of bevordering.
2.6
Aan de bestreden beslissing om klaagster met ingang van 1 oktober 2014 te bevorderen is ten grondslag gelegd, dat zij op die datum voldoet aan alle bevorderingseisen nu zij op 1 september 2014 de opleiding tot Buitengewoon agent van politie (de zgn. BOA-opleiding) heeft behaald.
2.7
Het gerecht stelt voorop dat de bevoegdheid van verweerder om ambtenaren al dan niet te bevorderen discretionair van karakter is. Dit brengt met zich mee dat het gebruik van die bevoegdheid door het gerecht slechts terughoudend kan worden getoetst. Bij die toetsing dient het gerecht te beoordelen of verweerder na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de bestreden beschikking heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met enige rechtsregel of met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
2.8
Bij de beoordeling neemt het gerecht het volgende in aanmerking.
2.8.1
In de door verweerder overgelegde Korpsmededeling 2012-54 wordt - voor zover hier van belang - als een van de functie-eisen van de functie Senior Recherche Assistent vermeld: “in het bezit zijn van een BOA opleiding”, waarmee kennelijk wordt bedoeld in het bezit zijn van het diploma van bedoelde opleiding. Tevens wordt vermeld dat de functie schaal 8 bereikt.
2.8.2
Bij Landsbesluit van 9 oktober 2013 is klaagster met ingang van 1 november 2012 overgeplaatst van het Openbaar Ministerie naar het Korps Politie Aruba in de functie van senior recherche assistent, met behoud van haar rechtspositie. In dat landsbesluit wordt tevens overwogen dat de functie van senior recherche assistent is gewaardeerd op het niveau van schaal 8.
2.8.3
Niet in geschil is dat klaagster op 1 september 2014 het diploma van de BOA-opleiding heeft behaald.
2.9
Niet is gebleken dat de plaatsing van klaagster in de functie van senior recherche assistent in het jaar 2012 is geschied onder de voorwaarde dat zij het bedoelde diploma diende te behalen. Aangenomen dient dan ook te worden dat klaagster voor de vervulling van die functie (bijzondere) geschiktheid en bekwaamheid bezit en aan de benoemings- en bevorderingseisen voldoet, dan wel dat met toepassing van artikel 4, lid 3 BRA is afgeweken van de functie-eisen omdat voorziening in die functie in het kader van een organisatie in het dienstbelang noodzakelijk was.
2.1
Gelet hierop is het gerecht van oordeel dat de aan de ingangsdatum van de bevordering gegeven motivering, de beslissing niet kan dragen. Het bezwaar is gegrond en de bestreden beschikking II zal wegens een motiveringsgebrek worden vernietigd, doch alleen voor zover deze een weigering inhoudt klaagster eerder dan 1 oktober 2014 te bevorderen.
2.11
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

3.DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

verklaart het bezwaar gegrond,
vernietigt de bestreden beschikking van 17 februari 2016 no. 40,

verklaart het bezwaar gegrond,
vernietigt de bestreden beschikking van 23 juni 2016 no. 9 voor zover het betreft de ingangsdatum van de bevordering naar de rang van adjunct-commies,
bepaalt dat verweerder - voor zover dat nog niet is geschied - binnen twee maanden na dagtekening van deze uitspraak een nieuwe beslissing dient te nemen wat betreft bedoelde ingangsdatum, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is bepaald.
Deze uitspraak is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 16 januari 2017 in aanwezigheid van de griffier.
Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, LA).
Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, LA).
Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, LA).