ECLI:NL:OGAACMB:2017:1

Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
16 januari 2017
Publicatiedatum
24 januari 2017
Zaaknummer
GAZA nrs. 530 en 1914 van 2016
Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N.K. Engelbrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevordering van ambtenaar in het ambtenarenrecht met betrekking tot de ingangsdatum van de bevordering

Op 16 januari 2017 heeft het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba uitspraak gedaan in de zaken GAZA nrs. 530 en 1914 van 2016, waarbij klaagster, vertegenwoordigd door haar advocaat mr. A.J. Swaen, bezwaar heeft gemaakt tegen beslissingen van de Gouverneur van Aruba. Klaagster was met ingang van 1 september 2012 aangesteld als senior recherche assistent bij het Korps Politie Aruba en werd op 1 oktober 2014 bevorderd naar adjunct-commies. Klaagster heeft bezwaar gemaakt tegen de ingangsdatum van deze bevordering, stellende dat zij eerder, per 1 oktober 2013, bevorderd had moeten worden.

De rechtbank heeft vastgesteld dat klaagster haar bezwaarschrift tijdig heeft ingediend en dat de bestreden beschikkingen dezelfde beslissing inhouden. Het Gerecht heeft geoordeeld dat de bestreden beschikking I, die een fout bevatte, vernietigd dient te worden. Klaagster heeft aangevoerd dat zij voldoet aan de bevorderingseisen en dat haar bevordering niet afhankelijk was van het behalen van een diploma. Het Gerecht heeft geconcludeerd dat de motivering voor de ingangsdatum van de bevordering niet voldoende was en heeft het bezwaar gegrond verklaard.

De uitspraak houdt in dat de bestreden beschikking van 17 februari 2016 en de bestreden beschikking van 23 juni 2016, voor zover het betreft de ingangsdatum van de bevordering, worden vernietigd. De Gouverneur moet binnen twee maanden na de uitspraak een nieuwe beslissing nemen over de ingangsdatum van de bevordering, rekening houdend met de overwegingen van het Gerecht.

Uitspraak

Uitspraak van 16 januari 2017
GAZA nrs. 530 en 1914 van 2016
HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het bezwaar van:
[klaagster],
wonende in Aruba,
KLAAGSTER,
gemachtigde: de advocaat mr. A.J. Swaen,
gericht tegen:
DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,
zetelende in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: de heer A. Lumenier (DWJZ).

1.PROCESVERLOOP

GAZA-530/16

1.1
Bij Landsbesluit van 17 februari 2016 no. 40 is klaagster met ingang van 1 september 2012 geplaatst in de functie van senior recherche assistent bij het Korps Politie Aruba en met ingang van 1 oktober 2014 bevorderd naar de rang van adjunct-commies, met vaststelling van de bezoldiging in schaal 6, dienstjaar 9, en de datum van de eerstvolgende periodieke verhoging van bezoldiging op 1 oktober 2015.
1.2
Tegen dit Landsbesluit (hierna: de bestreden beschikking I) heeft klaagster op 15 maart 2016 bezwaar gemaakt.

1.3
Bij Landsbesluit van 23 juni 2016 no. 4 is klaagster met ingang van 1 september 2012 uit de functie van medewerker preventie bewaking bij het Openbaar Ministerie ontheven en geplaatst in de functie van senior recherche assistent bij het Korps Politie Aruba, en met ingang van 1 oktober 2014 bevorderd naar de rang van adjunct-commies, met vaststelling van de bezoldiging in schaal 6, dienstjaar 9, en de datum van de eerstvolgende periodieke verhoging van bezoldiging op 1 oktober 2015.
1.4
Tegen dit Landsbesluit (hierna: de bestreden beschikking II) heeft klaagster op 16 augustus 2016 bezwaar gemaakt.
1.3
De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 29 augustus 2016, alwaar klaagster bijgestaan door haar gemachtigde is verschenen en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen.
1.4
Uitspraak is vervolgens bepaald op heden.

2.OVERWEGINGEN

De ontvankelijkheid in GAZA-1914/16

2.1
Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (hierna: La), dient het bezwaarschrift te worden ingediend binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de aangevallen beschikking is uitgesproken. Het derde lid van voornoemd artikel van de La bepaalt dat, indien het bezwaar na de daarvoor bepaalde termijn is ingediend, die indiener niet op grond daarvan niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien hij ten genoegen van de rechter aantoont het bezwaar te hebben ingebracht binnen dertig dagen na de dag waarop hij van de aangevallen beschikking kennis heeft kunnen dragen.
2.2
Klaagster heeft onweersproken gesteld dat zij de bestreden beschikking II op 18 juli 2016 heeft ontvangen, zodat het gerecht ervan uitgaat dat zij haar bezwaarschrift heeft ingediend binnen dertig dagen na de dag waarop zij de bestreden beschikking heeft ontvangen. Klaagster is derhalve ingevolge artikel 41, lid 3 van de La ontvankelijk.

2.3
In de bestreden beschikking II wordt overwogen dat het wenselijk is de bestreden beschikking I in te trekken, wegens een geconstateerde fout in het dictum van die beschikking. De bestreden beschikking I is uiteindelijk niet ingetrokken. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder te kennen gegeven dat dit wel de bedoeling was.
2.4
Reeds gelet hierop en nu de bestreden beschikkingen dezelfde beslissing inhouden en de bestreden beschikking II (slechts) een nadere onderbouwing geeft aan de bevordering van klaagster met ingang van 1 oktober 2014 naar de rang van adjunct-commies, is het gerecht van oordeel dat het bezwaar gericht tegen de bestreden beschikking I gegrond dient te worden verklaard en die beschikking dient te worden vernietigd.

2.5
Klaagster kan zich niet verenigen met de ingangsdatum van 1 oktober 2014 van de bevordering naar de rang van adjunct-commies in schaal 6, dienstjaar 9 en meent dat zij met ingang van 1 oktober 2013 dient te worden bevorderd.
Zij heeft ter onderbouwing van haar standpunt - kort samengevat - aangevoerd dat zij laatstelijk bij Landsbesluit van 23 augustus 2010 met ingang van 1 oktober 2009 is bevorderd naar de rang van hoofdklerk, en dat zij voldoet aan de bevorderingseisen om met ingang van 1 oktober 2013 te worden bevorderd. Voorts, dat haar meermalen is meegedeeld dat zij de opleiding voor Buitengewoon Agent van Politie diende te volgen maar dat het behalen van het diploma Buitengewoon Agent van Politie geen vereiste was voor haar benoeming of bevordering.
2.6
Aan de bestreden beslissing om klaagster met ingang van 1 oktober 2014 te bevorderen is ten grondslag gelegd, dat zij op die datum voldoet aan alle bevorderingseisen nu zij op 1 september 2014 de opleiding tot Buitengewoon agent van politie (de zgn. BOA-opleiding) heeft behaald.
2.7
Het gerecht stelt voorop dat de bevoegdheid van verweerder om ambtenaren al dan niet te bevorderen discretionair van karakter is. Dit brengt met zich mee dat het gebruik van die bevoegdheid door het gerecht slechts terughoudend kan worden getoetst. Bij die toetsing dient het gerecht te beoordelen of verweerder na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de bestreden beschikking heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met enige rechtsregel of met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
2.8
Bij de beoordeling neemt het gerecht het volgende in aanmerking.
2.8.1
In de door verweerder overgelegde Korpsmededeling 2012-54 wordt - voor zover hier van belang - als een van de functie-eisen van de functie Senior Recherche Assistent vermeld: “in het bezit zijn van een BOA opleiding”, waarmee kennelijk wordt bedoeld in het bezit zijn van het diploma van bedoelde opleiding. Tevens wordt vermeld dat de functie schaal 8 bereikt.
2.8.2
Bij Landsbesluit van 9 oktober 2013 is klaagster met ingang van 1 november 2012 overgeplaatst van het Openbaar Ministerie naar het Korps Politie Aruba in de functie van senior recherche assistent, met behoud van haar rechtspositie. In dat landsbesluit wordt tevens overwogen dat de functie van senior recherche assistent is gewaardeerd op het niveau van schaal 8.
2.8.3
Niet in geschil is dat klaagster op 1 september 2014 het diploma van de BOA-opleiding heeft behaald.
2.9
Niet is gebleken dat de plaatsing van klaagster in de functie van senior recherche assistent in het jaar 2012 is geschied onder de voorwaarde dat zij het bedoelde diploma diende te behalen. Aangenomen dient dan ook te worden dat klaagster voor de vervulling van die functie (bijzondere) geschiktheid en bekwaamheid bezit en aan de benoemings- en bevorderingseisen voldoet, dan wel dat met toepassing van artikel 4, lid 3 BRA is afgeweken van de functie-eisen omdat voorziening in die functie in het kader van een organisatie in het dienstbelang noodzakelijk was.
2.1
Gelet hierop is het gerecht van oordeel dat de aan de ingangsdatum van de bevordering gegeven motivering, de beslissing niet kan dragen. Het bezwaar is gegrond en de bestreden beschikking II zal wegens een motiveringsgebrek worden vernietigd, doch alleen voor zover deze een weigering inhoudt klaagster eerder dan 1 oktober 2014 te bevorderen.
2.11
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

3.DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

verklaart het bezwaar gegrond,
vernietigt de bestreden beschikking van 17 februari 2016 no. 40,

verklaart het bezwaar gegrond,
vernietigt de bestreden beschikking van 23 juni 2016 no. 9 voor zover het betreft de ingangsdatum van de bevordering naar de rang van adjunct-commies,
bepaalt dat verweerder - voor zover dat nog niet is geschied - binnen twee maanden na dagtekening van deze uitspraak een nieuwe beslissing dient te nemen wat betreft bedoelde ingangsdatum, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is bepaald.
Deze uitspraak is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 16 januari 2017 in aanwezigheid van de griffier.
Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, LA).
Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, LA).
Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, LA).