ECLI:NL:OGAACMB:2017:44

Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
3 juli 2017
Publicatiedatum
11 juli 2017
Zaaknummer
GAZA nr. 1798 van 2015
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41, derde lid, Landsverordening ambtenarenrechtspraakArt. 5, eerste, tweede en vierde lid, Landsverordening verlof en vakantie ambtenarenArt. 6, eerste en tweede lid, Landsverordening verlof en vakantie ambtenarenArt. 7, eerste en tweede lid, Landsverordening verlof en vakantie ambtenarenArt. 89, Landsverordening ambtenarenrechtspraak
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van verzoek tot uitbetaling niet-genoten vakantiedagen wegens arbeidsongeschiktheid

De ambtenaar heeft bezwaar gemaakt tegen het landsbesluit van 25 juni 2015 waarin hem 24 niet-genoten vakantiedagen over 2013 en 2014 werden uitbetaald. Hij betwistte de juistheid van het aantal uitbetaalde dagen en stelde aanspraak te maken op extra vakantiedagen en ATV-dagen over de jaren 2008 tot en met 2010, waarvoor hij in 2013 een verzoek had ingediend dat nooit is beslist.

De verweerder stelde dat de eerdere afwijzingen van verzoeken uit 2011 onherroepelijk waren geworden en dat het landsbesluit van 2015 geen beslissing bevatte over het verzoek uit 2013. Het gerecht oordeelde dat het landsbesluit een begunstigende beschikking is en dat het verzoek uit 2013 niet is toegekend of afgewezen, maar dat dit verzoek niet via het bestreden besluit is behandeld.

Het gerecht wees het bezwaar af omdat de ambtenaar geen rechtsmiddelen had ingesteld tegen de eerdere afwijzingen en het verzoek uit 2013 niet via het bestreden besluit was behandeld. Tevens werd overwogen dat de wettelijke bepalingen omtrent vakantiedagen en het verval daarvan ook bij arbeidsongeschiktheid van toepassing zijn. De ambtenaar heeft geen recht op uitbetaling van de niet-genoten vakantiedagen buiten hetgeen reeds is toegekend.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door ambtenarenrechter Winfield op 3 juli 2017 en partijen werden gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep binnen dertig dagen.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de uitbetaling van niet-genoten vakantiedagen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Uitspraak van 3 juli 2017
GAZA nr. 1798 van 2015
HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het bezwaar van:
[klager],
wonende in Aruba,
KLAGER
gemachtigde: de advocaat mr. G.L. Griffith,
gericht tegen:
de Gouverneur van Aruba,
zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: A. Lumenier (DWJZ).

1.PROCESVERLOOP

Bij landsbesluit van 25 juni 2015 heeft verweerder besloten aan klager 24 niet-genoten vakantiedagen over de jaren 2013 en 2014 uit te betalen.
Tegen deze beschikking heeft klager op 17 augustus 2015 bezwaar gemaakt bij het gerecht.
Het bezwaar is behandeld ter zitting van 24 oktober 2016, alwaar zijn verschenen klager bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd.
De uitspraak is nader bepaald op heden.

2.OVERWEGINGEN

Ontvankelijkheid

2.1
Nu klager onbetwist heeft gesteld de bestreden beschikking eerst op 24 juli 2015 te hebben ontvangen en het tegendeel niet uit de gedingstukken is gebleken, gaat het gerecht ervan uit dat het bezwaarschrift is ingediend binnen de termijn, bedoeld in artikel 41, derde lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La). Het bezwaar is derhalve ontvankelijk.
Inhoudelijk
2.2
Bij schrijven van 22 februari 2011, 17 mei 2011 en 26 juli 2013 heeft klager verzocht om uitbetaling van zijn niet-genoten vakantie- en atv-dagen wegens langdurig arbeidsongeschiktheid.
Bij brief van 13 maart 2012 heeft de minister van Financiën aan klager bericht dat zijn verzoeken van 22 februari 2011 en 17 mei 2011 niet kunnen worden ingewilligd. Hiertegen heeft klager geen bezwaar aangetekend.
Bij bestreden landsbesluit van 25 juni 2015 heeft verweerder besloten aan klager 24 niet-genoten vakantiedagen over de jaren 2013 en 2014 uit te betalen.
2.3
Klager betwist de juistheid van het aantal bij het bestreden landsbesluit uitbetaalde vakantiedagen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij tevens recht heeft op vier vakantiedagen over 2008, zes-en-een-half atv- en 22 vakantiedagen over 2009, 13 atv- en 22 vakantiedagen over 2010, zoals verzocht bij zijn verzoek van 26 juli 2013. Op dit verzoek is nimmer beslist.
2.4
Verweerder voert aan dat de afwijzende beschikking van 13 maart 2012 op de verzoeken van klager van 22 februari 2011 en 17 mei 2011 onherroepelijk is geworden. Daarnaast wordt door verweerder betwist dat het bestreden landsbesluit betrekking heeft op het verzoek van klager van 26 juli 2013 en voert aan dat het bestreden landsbesluit, een begunstigende beschikking is, genomen op het voorstel van 19 september 2013 van de directeur van de Directie Financiën en geen weigering op het verzoek van klager om uitbetaling van zijn vakantiedagen. Dit betoog slaagt.
2.5
Het bestreden landsbesluit is een voor klager begunstigende beschikking. Enige beslissing op het verzoek van klager om uitbetaling van zijn niet-genoten vakantiedagen zoals verzocht bij schrijven van 26 juli 2013 is daarin naar het oordeel van het gerecht – anders dan klager kennelijk meent – niet te lezen. Tegen de afwijzende beschikking van 13 maart 2012 op de verzoeken van klager van 22 februari 2011 en 17 mei 2011, waarbij klager om uitbetaling van zijn niet-genoten vakantie- en atv-dagen heeft verzocht, heeft klager geen rechtsmiddelen ingesteld. Deze beslissing is derhalve onherroepelijk geworden. Het betoog van klager faalt. Het bezwaar zal dan ook ongegrond worden verklaard.
2.6
Ten overvloede overweegt het gerecht het volgende.
Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Lvvda heeft de ambtenaar per kalenderjaar aanspraak op vakantie met behoud van vol inkomen op de voorwaarden en met inachtneming van de regelen, gesteld in dit hoofdstuk.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de vakantie, bedoeld in het eerste lid, aan de ambtenaar op zijn daartoe strekkend schriftelijk verzoek aaneengesloten verleend door de bevoegde autoriteit.
Ingevolge het vierde lid beslist de bevoegde autoriteit omtrent de tijdstippen waarop de vakantie zal ingaan, alsmede omtrent de tijdvakken waarin deze eventueel zal worden gesplitst.
Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Lvvda wordt, voor zover aan de ambtenaar in een kalenderjaar het hem volgens dit hoofdstuk toekomende aantal vakantiedagen niet is verleend, hem de niet genoten vakantie in het daaropvolgend kalenderjaar aaneengesloten verleend.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel, verliest de ambtenaar, behoudens het bepaalde in artikel 7, zijn aanspraak op het door hem niet genoten aantal vakantiedagen, betrekking hebbende op het kalenderjaar, voorafgaande aan het afgelopen kalenderjaar.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Lvvda kan de in dit hoofdstuk bedoelde vakantie wegens dringende redenen van dienstbelang geheel of gedeeltelijk worden geweigerd of ingetrokken bij gemotiveerde beschikking van de bevoegde autoriteit.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel behoudt de ambtenaar, indien de vakantie krachtens het eerste lid geheel of gedeeltelijk is geweigerd of ingetrokken, zijn aanspraak op het aantal door hem niet genoten vakantiedagen.
2.7
Gelet op het vorenstaande is het gerecht van oordeel dat op klagers verzoek om uitbetaling van zijn niet-genoten vakantiedagen niet anders dan afwijzend kan worden beslist. De omstandigheid dat klager de vakantiedagen wegens arbeidsongeschiktheid niet heeft kunnen opnemen, zet – anders dan klager meent – de toepasselijkheid van artikel 6, tweede lid, van de Lvvda niet opzij.
2.8
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen grond.

3.BESLISSING

De rechter in dit gerecht:
verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze uitspraak is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juli 2017 in aanwezigheid van de griffier.
Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, La).Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, La).
Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, La).