ECLI:NL:OGAACMB:2019:55

Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
17 juni 2019
Publicatiedatum
25 juni 2019
Zaaknummer
AUA201803495
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 85 La
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging landsbesluit over salarisbetaling tijdens bijzondere vrijstelling ambtenaar

Klaagster, een ambtenaar, was gedurende meerdere perioden vrijgesteld van dienst zonder behoud van inkomen. Bij landsbesluit van 9 oktober 2018 werd bepaald dat zij teveel salaris had ontvangen over de periode van november 2007 tot mei 2010, maar dat dit bedrag wegens verjaring niet zou worden teruggevorderd.

Klaagster stelde bezwaar in tegen dit besluit omdat zij slechts over januari en mei 2008 salaris had ontvangen, en niet over de gehele genoemde periode. Tijdens de zitting gaf verweerder toe dat het landsbesluit fouten bevatte, met name dat het salaris niet daadwerkelijk was uitbetaald over de gehele periode, maar slechts over de genoemde maanden.

Het gerecht verklaarde het bezwaar gegrond en wijzigde het landsbesluit conform artikel 85 van Pro de Landsverordening, zodat alleen het teveel ontvangen salaris over januari en mei 2008 werd erkend en niet over de gehele periode van november 2007 tot mei 2010. De uitspraak werd gedaan door rechter A.J.H. van Suilen op 17 juni 2019.

Uitkomst: Het bezwaar van klaagster wordt gegrond verklaard en het landsbesluit wordt gewijzigd zodat alleen het teveel ontvangen salaris over januari en mei 2008 wordt erkend.

Uitspraak

Uitspraak van 17 juni 2019
Gaza nr. AUA201803495

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK
op het bezwaar van:

[klaagster],

wonende in Aruba,
KLAAGSTER,
procederend in persoon,
tegen:

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,

zetelende in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: A. Lumenier (DWJZ).

PROCESVERLOOP

Bij landsbesluit van 9 oktober 2018 (hierna: het bestreden landsbesluit) heeft verweerder onder meer bepaald dat het teveel aan klaagster uitbetaalde salaris door verjaring niet zal worden teruggevorderd.
Tegen het bestreden landsbesluit heeft klaagster op 31 oktober 2018 bezwaar ingesteld bij dit gerecht.
De zaak is behandeld ter zitting van 6 mei 2019. Klaagster is in persoon verschenen en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde voornoemd.
Hierna is uitspraak bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

De feiten

1.1
Aan klaagster is gedurende de periode van 3 augustus 2007 tot en met 2 november 2007 vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden verleend.
1.2
Bij brief van 8 juli 2008, ingediend op 9 juli 2008, heeft klaagster aan de minister van Algemene zaken verzocht om haar voor de periode van drie jaar bijzondere vrijstelling van dienst zonder behoud van inkomen te verlenen.
1.3
Aan klaagster is voor de periode van 3 november 2007 tot en met 3 november 2010 vrijstelling van dienst zonder behoud van inkomen verleend.
1.4
Op 3 november 2010 heeft klaagster haar werkzaamheden bij Directie Telecommunicatiezaken niet hervat.
1.5
Aan klaagster is voor de periode van 3 november 2010 tot en met 16 juni 2013 vrijstelling van dienst zonder behoud van inkomen verleend.
1.6
Per 17 juni 2013 is klaagster overgeplaatst naar Directie Arbeid en Onderzoek (DAO) en heeft zij haar werkzaamheden hervat.
1.7
Bij bestreden landsbesluit van 9 oktober 2018 heeft verweerder het volgende besloten:
I. aan klaagster
“a. bijzondere vrijstelling van dienst zonder behoud van inkomen te verlenen over de periode van 1 juni 2010 tot en met 16 juni 2013;
b. met ingang van 17 juni 2013 in activiteit te herstellen en over te plaatsen naar de Directie Arbeid en Onderzoek en te plaatsen in de functie van archief medewerker;
II. dat betrokkene van 3 november 2007 tot en met 31 mei 2010 op non actief was gesteld;
III. het teveel ontvangen salaris over de periode van 3 november 2007 tot en met 31 mei 2010 door verjaring niet terug te vorderen;
IV. de datum van de eerstvolgende periodieke verhoging van bezoldiging van betrokkene te herzien en te bepalen op 1 juli 2015.”
De standpunten van partijen
2.1
Klaagster kan zich niet verenigen met het bestreden landsbesluit omdat daarin ten onrechte vermeld wordt dat zij ten onrechte salaris heeft ontvangen over de periode 3 november 2007 tot en met 31 mei 2010. Zij heeft slechts over de maanden januari 2008 en mei 2008 salaris ontvangen. De in het landsbesluit genoemde passage tast haar imago en integriteit aan.
2.2
Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het landsbesluit inderdaad fouten bevat. Zo zijn de perioden van non-actieve dienst niet goed opgenomen en is het correct dat klaagster geen salaris heeft ontvangen. Het salaris is wel betaalbaar gesteld maar is nimmer aan klaagster uitbetaald. Klaagster heeft belang bij vernietiging van het landsbesluit omdat het om een natuurlijke verbintenis gaat.
De beoordeling
3.1
Nu verweerder ter zitting te kennen heeft gegeven dat het landsbesluit op verschillende punten fouten bevat, kan het bestreden landsbesluit reeds om die reden niet in stand blijven. Het bezwaar is derhalve gegrond.
3.2
Het gerecht ziet aanleiding om het bestreden landsbesluit met toepassing van artikel 85 van Pro de La te wijzigen als hieronder aangegeven.

DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:
verklaart het bezwaar gegrond;
wijzigt het bestreden landsbesluit in dier voege dat de nagenoemde zinnen in het landsbesluit als volgt komen te luiden:
onder het kopje
overwegende:
“dat betrokkene gedurende haar vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden zonder behoud van inkomen, ten onrechte salaris kreeg uitbetaald in de maand januari 2008 en de maand mei 2008;
onder het kopje
heeft besloten:
III. het teveel ontvangen salaris over de maand januari 2008 en de maand mei 2008 door verjaring niet terug te vorderen;”.
Deze uitspraak is gegeven door mr. A.J.H. van Suilen, rechter in ambtenarenzaken te Aruba en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 17 juni 2019, in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen hoger beroep instellen bij de Raad van beroep in ambtenarenzaken. Daarbij dient de volgende termijn in acht te worden genomen:
  • Als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak;
  • In de andere gevallen: binnen dertig dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.
Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij:
De griffie van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken
J.G. Emanstraat 51
Oranjestad
Aruba
U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,
b. de datum van ondertekening,
c. waartegen u in hoger beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.