ECLI:NL:OGAACMB:2020:49

Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
28 mei 2020
Publicatiedatum
15 juni 2020
Zaaknummer
CUR201804443
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N.M. Martinez
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31a PlvoArt. 8 Landsverordening Algemeen Pensioenfonds CuraçaoArtikel 91 Pensioenlandsverordening overheidsdienaren
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing registratie samenlevingsovereenkomst na overlijden overheidsdienaar

Klaagster had een liefdesrelatie met een overheidsdienaar die op 25 september 2017 overleed. Na zijn overlijden bood zij op 23 maart 2018 een samenlevingsovereenkomst ter registratie aan bij het Algemeen Pensioenfonds van Curaçao (APC). Verweerder wees dit verzoek af omdat de registratie alleen door de (gewezen) overheidsdienaar zelf kan worden gedaan en niet door de partner.

Klaagster stelde dat de afwijzing onbevoegd was en dat de registratie geen constitutieve vereiste zou zijn voor het recht op nabestaandenpensioen. Verweerder verwees naar de Pensioenlandsverordening overheidsdienaren (Plvo) die duidelijk stelt dat registratie door de overheidsdienaar moet plaatsvinden voordat het risico zich verwezenlijkt.

Het Gerecht oordeelde dat de afwijzing bevoegd was genomen en dat de registratie inderdaad een constitutieve vereiste is. Omdat de overledene de samenlevingsovereenkomst niet heeft geregistreerd, kan klaagster geen rechten ontlenen aan de overeenkomst. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat registratie van de samenlevingsovereenkomst na overlijden niet mogelijk is.

Uitspraak

GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO

Uitspraak
in de zaak van:

[klaagster],

wonende in Curaçao,
klaagster,
gemachtigde: mr. O.A. Martina, advocaat,
tegen

het bestuur van het Algemeen Pensioenfonds van Curaçao (het APC),

verweerder,
gemachtigde: mr. A.D. Juliana, advocaat.

Procesverloop

Bij beslissing van 13 april 2018 heeft verweerder klaagster medegedeeld dat haar verzoek om registratie van haar samenlevingsovereenkomst wordt afgewezen (de primaire beslissing).
Daartegen heeft klaagster bezwaar gemaakt (het bezwaar).
Bij beslissing van 2 oktober 2018 heeft verweerder het bezwaar van klaagster ongegrond verklaard (de bestreden beslissing).
Tegen de bestreden beslissing heeft klaagster op grond van artikel 91 van Pro de Pensioenlandsverordening overheidsdienaren (Plvo) beroep ingesteld bij dit Gerecht (het beroep).
Verweerder heeft een contramemorie ingediend.
De zaak is behandeld ter zitting van het Gerecht op 13 mei 2020. Namens klaagster is verschenen mr. R.P. Koeijers, die voor mr. Martina voornoemd heeft geoccupeerd. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 31a, eerste lid, van de Plvo, zoals gewijzigd bij P.B. 2015, no. 78, blijkt van het bestaan van een samenlevingsovereenkomst krachtens deze landsverordening uit het aanmelden van de samenlevingsovereenkomst door de overheidsdienaar of gewezen overheidsdienaar bij het bestuur. Op grond van het tweede lid worden aangemelde samenlevingsovereenkomsten door het bestuur ingeschreven in een door het bestuur daartoe aangehouden register, mits is voldaan aan de in het vierde lid gestelde voorwaarden. Op grond van het derde lid kan de partner uit de samenlevingsovereenkomst alleen aan een in het register ingeschreven samenlevingsovereenkomst rechten ontlenen. Op grond van het vierde lid geschiedt het aanmelden van de samenlevingsovereenkomst door de overheidsdienaar of gewezen overheidsdienaar door middel van een door het bestuur vastgesteld formulier.
2. Het Gerecht gaat uit van de volgende feiten. Vast staat dat klaagster een liefdesrelatie had met wijlen [naam partner] ([partner]) die tot aan zijn overlijden op 25 september 2017 overheidsdienaar was. Op 23 maart 2018 heeft klaagster aan verweerder een samenlevingsovereenkomst ter registratie aangeboden. Bij de primaire beslissing heeft verweerder het verzoek om registratie afgewezen met als reden dat geen sprake was van een aanvraag ter registratie van een samenlevingsovereenkomst door de (gewezen) overheidsdienaar.
3. Klaagster stelt dat de primaire beslissing onbevoegdelijk door de chef verzekerdenbeheer namens de directie is genomen, omdat uitsluitend verweerder daartoe bevoegd was. Voorts stelt klaagster dat zij de samenlevingsovereenkomst niet tardief ter registratie bij verweerder heeft aangeboden. Ook stelt klaagster dat het aanmelden van de samenlevingsovereenkomst bij verweerder geen constitutieve vereiste is, omdat de aanspraak op het nabestaandenpensioen uit het bestaan van de feitelijke situatie voortvloeit. De registratie van de samenlevingsovereenkomst bij verweerder is bedoeld als bevestiging van de feitelijke situatie, namelijk het bestaan van de samenlevingsovereenkomst, aldus klaagster. Tenslotte stelt klaagster dat zij als belanghebbende gerechtigd is om de samenlevingsovereenkomst bij verweerder ter registratie aan te bieden.
4. Verweerster stelt ten eerste dat het hoofd pensioenzaken bij mandaatbesluit van 24 februari 2015 is gemachtigd om samen met de chef verzekerdenbeheer en chef klantenservice bepaalde bevoegdheden en werkzaamheden uit te voeren (het mandaatbesluit). Voorts stelt verweerder dat het verzoek om registratie van de samenlevingsovereenkomst wel een constitutieve vereiste is voor het recht op nabestaandenpensioen en dat deze registratie moet geschieden voordat het verzekerd risico zich heeft verwezenlijkt. Volgens verweerder volgt voorts uit artikel 31a van de Plvo door wie de samenlevingsovereenkomst ter registratie aan verweerder kan worden aangeboden, namelijk de (gewezen) overheidsdienaar.
5. Het Gerecht oordeelt als volgt. Gezien het mandaatbesluit in samenhang met de verklaring van de directeur van het APC van 22 november 2018 kan worden geconcludeerd dat de primaire beslissing bevoegdelijk is genomen. Niet kan worden geconcludeerd dat het bestuur op grond van artikel 8 Landsverordening Pro Algemeen Pensioenfonds Curaçao (P.B. 2015, no. 1) de bevoegdheid om de primaire beslissing te nemen niet aan de directie mocht delegeren. Evenmin kan worden geconcludeerd dat de directie deze bevoegdheid niet mocht ondermandateren. Het betoog van klaagster faalt derhalve.
6. In artikel 31a, vierde lid, van de Plvo is uitdrukkelijk opgenomen dat de registratie van de samenlevingsovereenkomst alleen door de (gewezen) overheidsdienaar, in dit geval wijlen [partner], kan geschieden. Reeds om die reden faalt het betoog van klaagster dat zij als belanghebbende gerechtigd is om de samenlevingsovereenkomst ter registratie aan verweerder aan te bieden.
7. Het Gerecht kan klaagster ook niet volgen in haar stelling dat de registratie van de samenlevingsovereenkomst bij verweerder geen constitutieve vereiste is. Artikel 31a, derde lid, van de Plvo bepaalt immers dat de partner alleen aan een in het register ingeschreven samenlevingsovereenkomst als nabestaande rechten kan ontlenen. Hieruit volgt dat de registratie van de samenlevingsovereenkomst wel een constitutieve vereiste is voor het ontstaan van het recht op een uitkering.
8. Zelfs als zou worden aangenomen dat sprake is van een samenlevingsovereenkomst tussen [partner] en klaagster, is niet in geschil dat [partner] deze niet conform artikel 31a, vierde lid, van de Plvo bij verweerder heeft geregistreerd. Al om die reden heeft klaagster geen recht op enige uitkering in verband met bedoelde samenlevingsovereenkomst.
9. Al hetgeen klaagster voor het overige heeft aangevoerd, behoeft in het licht van het voorgaande geen bespreking.
10. De slotsom is dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het Gerecht in Ambtenarenzaken
verklaarthet beroep
ongegrond.
Aldus gedaan door mr. N.M. Martinez, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2020 in tegenwoordigheid van mr. S.N. Aswani, griffier.
Tegen deze uitspraak staat voor beide partijen binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger of gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest, en in alle andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending van de uitspraak of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, hoger beroep open bij de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken. Zie titel IV hoofdstuk 1 van de RAr.