ECLI:NL:OGAACMB:2020:95

Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
26 oktober 2020
Publicatiedatum
3 november 2020
Zaaknummer
GAZ Cur201904203
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N.M. Martinez
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Bezoldigingslandsbesluit 1998
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigverklaring besluit toepassing vertragingsregel bij functiebeschikking ambtenaar

Klaagster, sinds lange tijd werkzaam bij de overheid, werd eervol ontheven uit haar functie en benoemd in een hogere functie met een lagere bezoldigingsschaal dan gebruikelijk, op grond van de vertragingsregel van artikel 3, tweede lid, van het Bezoldigingslandsbesluit 1998 (Bzlb).

Klaagster maakte bezwaar tegen dit besluit omdat verweerster niet had toegelicht waarom de vertragingsregel werd toegepast. Het Gerecht oordeelde dat verweerster weliswaar bevoegd was de vertragingsregel toe te passen, maar dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd doordat de noodzakelijke toelichting ontbrak.

Door het ontbreken van deze motivering werd het besluit nietig verklaard en het bezwaar gegrond verklaard. Verweerster erkende ter zitting het motiveringsgebrek en gaf aan een nieuw landsbesluit te zullen nemen.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken.

Uitkomst: Het bezwaar van klaagster wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt nietig verklaard wegens onvoldoende motivering van de toepassing van de vertragingsregel.

Uitspraak

GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO

Uitspraak
in de zaak van:

[klaagster],

wonende in Curaçao,
klaagster,
procederende in persoon,
tegen:

de Regering van Curaçao,

verweerster,
gemachtigde: mr. N. Nersicio, werkzaam bij verweerster.

Procesverloop

Bij landsbesluit van 26 februari 2019, door klaagster ontvangen op 20 maart 2019, heeft verweerster klaagster eervol ontheven uit haar functie van Medewerker Financiële Zaken bij het ministerie van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport (OWCS), sector Onderwijs en Wetenschap, Openbaar Onderwijs, haar met ingang van 12 december 2018 in vaste dienst benoemd in de functie van Financieel Medewerker-D bij hetzelfde ministerie en haar bezoldiging vastgesteld op schaal 7, trede 11 (het bestreden besluit).
Bij brief van 3 april 2019, bij verweerster ingediend op 4 april 2019, heeft klaagster tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Dat bezwaar heeft verweerster op 11 november 2019 aan het Gerecht doorgezonden.
Het bezwaar is behandeld ter zitting van het Gerecht op 21 september 2020. Klaagster is verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.M. Concincion-Quirindongo, werkzaam bij verweerster.

Overweging

1. Op grond van artikel 3, eerste lid, van het Bezoldigingslandsbesluit 1998 (het Bzlb), wordt bij de indiensttreding of bij de overgang naar een andere functie de bezoldigingsschaal bepaald met inachtneming van de aard en het niveau van de functie waarmede de betrokken ambtenaar wordt belast.
Op grond van het tweede lid kan van het eerste lid worden afgeweken, indien het gebrek aan ervaring met betrekking tot de arbeid die de betrokkene in de functie moet verrichten de verwachting aannemelijk maakt dat zijn wijze van functioneren zich tegen de toepassing van dat artikellid vooralsnog verzet. In dit geval kan de bezoldigingsschaal bepaald worden en gedurende een tijdvak van ten hoogste drie jaren bepaald blijven op ten hoogste twee volgnummers beneden de schaal die met toepassing van het eerste lid in aanmerking zou komen. Indien het functioneren van de ambtenaar aan het einde van het genoemde tijdvak de toepassing van het eerste lid nog niet toelaat, wordt hij geplaatst in een functie waarvan de aard en het niveau in overeenstemming is met de schaal volgens welke hij bezoldigd wordt, of wordt hem ontslag aangezegd.
2. Klaagster was ten tijde van de sollicitatie al vijfendertig (35) jaar in dienst van de overheid, laatstelijk werkzaam in de functie van medewerker financiële zaken bij het ministerie van OWCS. Bij brief van 4 maart 2016 heeft klaagster bij datzelfde ministerie gesolliciteerd naar de functie van Financieel Medewerker D (functieschaal 8). Verweerster heeft klaagster voor die functie aangenomen en heeft in het bestreden besluit met toepassing van de zogeheten vertragingsregel van artikel 3, tweede lid, van het Bzlb de bezoldiging van klaagster vastgesteld op schaal 7, bezoldigingstrede 11.
3. Het Gerecht dient te beoordelen of verweerster terecht de vertragingsregel bij de benoeming van klaagster tot Financieel Medewerker D heeft toegepast.
4. Het Gerecht stelt voorop dat artikel 3, tweede lid, van het Bzlb verweerster de bevoegdheid geeft om de vertragingsregeling bij de overgang van klaagster naar de andere functie toe te passen. Zoals klaagster terecht heeft gesteld, had verweerster in het bestreden besluit echter dienen toe te lichten op grond waarvan zij toepassing van de vertragingsregel gerechtvaardigd achtte. Reeds omdat verweerster dat heeft nagelaten is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Ter zitting heeft verweerster dat ook onderkend en toegelicht dat zij doende is een nieuw lansbesluit te slaan.
5. Gelet op het motiveringsgebrek zal het bezwaar van klaagster gegrond en het bestreden besluit nietig worden verklaard.

Beslissing

Het Gerecht in Ambtenarenzaken
verklaarthet bezwaar
gegrond.
Aldus gedaan door mr. N.M. Martinez, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2020 in tegenwoordigheid van mr. O.H.M. Leito, griffier.
Tegen deze uitspraak staat voor beide partijen binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger of gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest, en in alle andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending van de uitspraak of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, hoger beroep open bij de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken. Zie titel IV hoofdstuk 1 van de RAr.