Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGAACMB:2021:93

Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
4 oktober 2021
Publicatiedatum
27 oktober 2021
Zaaknummer
SXM202100819-GAZ 21/2021
Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 LmaArt. 4 Lma
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen ontheffing waarneming functie Hoofd Bedrijfsvoering niet-ontvankelijk verklaard

Klager, werkzaam als coördinator grensbewaking bij het Ministerie van Justitie, maakte bezwaar tegen een mondelinge mededeling van ontheffing uit de waarneming van de functie Hoofd Bedrijfsvoering. Dit bezwaar was gericht tegen de Gouverneur en de Minister van Justitie. Het gerecht oordeelde dat het bezwaar tegen de Gouverneur niet-ontvankelijk was omdat deze niet in rechte was betrokken.

De kern van het geschil betrof de vraag of de ontheffing een besluit was in de zin van artikel 25 van Pro de Lma, dat door het bevoegd gezag, de Gouverneur, genomen moest zijn. Het gerecht stelde vast dat geen sprake was van een besluit van de Gouverneur of een bevoegde mandaathouder, waardoor geen waarneming in de zin van de Lma bestond.

Hoewel klager feitelijk taken van het Hoofd Bedrijfsvoering had uitgevoerd, was er geen formeel besluit genomen. De mondelinge opdracht om de waarneming te beëindigen was geen voor bezwaar vatbare beschikking. Klager was niet in zijn rechtspositie als ambtenaar geraakt, waardoor het bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard. Tevens werd geen proceskostenveroordeling toegewezen.

Uitkomst: Het bezwaar van klager tegen de ontheffing uit de waarneming van de functie Hoofd Bedrijfsvoering is niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

Zaaknummer: SXM202000819- GAZ 21/2020
Datum: 4 oktober 2021
HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN SINT MAARTEN
UITSPRAAK
In het geding van:
[klager],
klager,
gemachtigde: mr. S.R. BOMMEL,
tegen
1. DE GOUVERNEUR VAN HET LAND SINT MAARTEN,
gevestigd te Sint Maarten,
2. DE MINISTER VAN JUSTITIE,
gevestigd te Sint Maarten,
verweerders,
gemachtigde: mr. P.A.M. BRANDON,

1.Aanduiding bestreden besluit

De mondelinge mededeling van 3 augustus 2020 van het ad interim diensthoofd Immigratie- en Grensbewakingsdienst inhoudende de ontheffing van klager uit de waarneming van de functie van Hoofd Bedrijfsvoering.

2.Het procesverloop

Op 3 september 2020 is ter griffie van het gerecht in ambtenarenzaken (hierna: het gerecht) een pro-forma bezwaarschrift ingediend.
Op 29 oktober heeft klager de gronden van bezwaar aangevuld.
Op 7 januari 2021 heeft verweerder een contra- memorie met producties ingediend.
Op 7 augustus 2021 heeft klager aanvullende producties overgelegd.
Mondelinge behandeling van het bezwaarschrift heeft, gelijktijdig doch niet gevoegd met zaak SXM202001268, plaatsgevonden op maandag 16 augustus 2021. Klager is in persoon verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde voornoemd.
Uitspraak is nader bepaald op heden.
3.
De beoordeling
3.1.
Het gerecht overweegt allereerst dat klager in zijn onderhavige bezwaar voor zover gericht tegen de Gouverneur niet kan worden ontvangen nu deze niet in rechte is betrokken. Het bezwaar gericht tegen de Gouverneur zal dan ook niet-ontvankelijk verklaard worden.
3.2.
Klager is werkzaam als ambtenaar bij de Immigratie en Grensbewaking van het Ministerie van Justitie als coördinator grensbewaking mobiele opsporing & toezicht vreemdelingen.
3.3.
Ter zitting heeft de gemachtigde van klager aangegeven dat zij geen verweer meer voert doch slechts een proceskostenveroordeling verzoekt. Dit is gelegen in het feit dat de Minister van Justitie bij beschikking van 4 december 2020 de voornoemde beslissing van het ad interim diensthoofd Immigratie- en Grensbewakingsdienst waarbij klager is ontheven uit de waarneming van de functie van Hoofd Bedrijfsvoering, heeft bekrachtigd.
3.4.
Het gerecht begrijpt de raadsvrouw van klager aldus dat zij kennelijk stelt dat zij nu verweerder thans een beschikking heeft gegeven zij geen belang meer heeft bij deze bezwaarprocedure, behoudens met betrekking tot de proceskosten.
Het gerecht is echter van oordeel dat onderhavig bezwaar niet-ontvankelijk verklaard dient te worden omdat er geen sprake is van een voor bezwaar vatbare beschikking of handelen.
3.5.
Het gerecht overweegt hiertoe het volgende:
3.5.1.
Uit artikel 25 Lma Pro volgt dat van waarneming in de zin van dit artikel slechts sprake is bij een daartoe door of namens het bevoegd gezag genomen besluit. Ingevolge artikel 4 van Pro de Lma wordt verstaan onder het bevoegd gezag de Gouverneur. Onbestreden is dat geen sprake is van een door de Gouverneur genomen besluit. Voorts is niet gebleken dat de door klager overgelegde ministeriele beschikkingen namens de Gouverneur zouden zijn genomen. Gesteld noch gebleken is dat uit regelgeving blijkt dat de Minister van Justitie bij mandaat of delegatie de bevoegdheid heeft zoals die blijkt uit artikel 25 Lma Pro. Voorts acht het Gerecht van belang dat in het licht van de bewoording van de email van 3 augustus 2020, de stelling van verweerder dat zij niet bekend was met de door klager overgelegde twee ministeriele beschikkingen, niet ongeloofwaardig. Nu onbestreden is dat deze ministeriële beschikkingen ook niet in het personeelsdossier van klager zijn gevoegd, dient het ervoor te worden gehouden dat de door klager overgelegde ministeriele beschikking niet namens de Gouverneur zijn genomen. Gezien het hiervoor overwogene is het Gerecht van oordeel dat deze twee ministeriele beschikkingen onbevoegd zijn genomen. Van waarneming in de zin van de Lma is dan ook geen sprake.
3.5.2.
Dat klager kennelijk wel taken heeft uitgevoerd die tot de functie van Hoofd Bedrijfsvoering behoren en dat een en ander ook is gecommuniceerd binnen de dienst maakt het voorgaande niet anders nu niet is gebleken van een door het bevoegd gezag genomen besluit.
3.5.3.
Voor zover klager gedurende 2020 feitelijk belast is geweest met taken en werkzaamheden die niet tot zijn eigen functie behoren overweegt het Gerecht dat het (ad interim) Diensthoofd Immigratie- en Grensbewakingsdienst belast met de dagelijkse leiding klager opdracht kan geven de taken behorende bij diens functie uit te voeren en de taken en werkzaamheden die niet tot zijn eigen functie behoren te beëindigen. Uit de e-mail van 3 augustus 2020 van het (ad interim) Diensthoofd Immigratie -en Grensbewaking blijkt dat klager op dezelfde dag mondeling is medegedeeld dat hij per onmiddellijk zijn taken behorende bij zijn functie van Coördinator Grensbewaking Mobiele Opsporing en Toezicht diende uit te voeren en dat hij zijn taken en werkzaamheden als waarnemend Hoofd Bedrijfsvoering diende te beëindigen. Nu er geen sprake is van waarneming in de zin van artikel 25 Lma Pro is de dienstopdracht om taken behorende bij de eigen functie uit te voeren geen voor bezwaar vatbare beschikking of handelen. Klager is immers niet in zijn rechtspositie als ambtenaar geraakt. Het bezwaar van klager dient dan ook om die reden niet-ontvankelijk te worden verklaard.
3.5.4.
Voor een proceskosten veroordeling bestaat geen aanleiding.
4. Beslissing
Het Gerecht in ambtenarenzaken:
verklaart het bezwaar gericht tegen de Gouverneur niet-ontvankelijk;
verklaart het bezwaar gericht tegen de Minister van Justitie niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr J.M. Ghrib, rechter in het gerecht in ambtenarenzaken van Sint Maarten en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 4 oktober 2021.
Tegen deze uitspraak is hoger beroep mogelijk. Zie titel IV van de regeling Ambtenarenrechtspraak.