ECLI:NL:OGAACMB:2024:64

Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
2 december 2024
Publicatiedatum
5 februari 2025
Zaaknummer
CUR202401089
Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N.M. Martinez
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 RAr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bezwaar tegen beperking werkzaamheden ambtenaar wegens ziekteverzuim

Klaagster, werkzaam als ambtenaar bij het Ministerie van Bestuur, Planning en Dienstverlening, maakte bezwaar tegen twee brieven van het afdelingshoofd Gegevensverwerking Publieke Zaken waarin haar werkzaamheden werden beperkt en een gewijzigde ziektemeldingsprocedure werd aangekondigd.

Het Gerecht oordeelde dat alleen de beperking van werkzaamheden een beschikking is waartegen bezwaar openstaat, maar dat klaagster geen belang meer heeft bij een beoordeling omdat de beperking al is opgeheven. De ziektemeldingsprocedure is geen beschikking en het Gerecht is daarvoor onbevoegd.

Klaagster bracht ter zitting financieel nadeel naar voren, maar dit was te laat en niet onderbouwd met een verzoek om schadevergoeding. Het bezwaar tegen de taakbeperking wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

De uitspraak is gedaan door rechter N.M. Martinez op 2 december 2024 te Curaçao. Partijen kunnen binnen 30 dagen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken.

Uitkomst: Bezwaar tegen taakbeperking wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang; bezwaar tegen ziektemelding is niet-ontvankelijk wegens onbevoegdheid.

Uitspraak

GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO

uitspraak
in de zaak van:

[Klaagster],

wonende in Curaçao,
klaagster,
gemachtigde: A.V.E. Vilchez,
tegen

de minister van Bestuur, Planning en Dienstverlening,

verweerder,
hierna: de minister,
gemachtigde: mr. J.G. Ricardo.

Inleiding

1.1
In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het bezwaar van klaagster tegen twee brieven van 19 januari 2024, van het Afdelingshoofd Gegevensverwerking Publieke Zaken.
1.2
Klaagster heeft bij brief van 17 februari 2024, gericht aan de minister, bezwaar gemaakt daartegen. De minister heeft het bezwaar van klaagster van 17 februari 2024 naar het Gerecht doorgestuurd om door het Gerecht behandeld te worden.
1.3
Klaagster heeft nadere stukken ingediend.
1.4
De minister heeft voorafgaand aan de zitting pleitaantekeningen ingediend.
1.5
Het bezwaar is op 20 augustus 2024 ter zitting behandeld. Klaagster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

2. Het Gerecht beoordeelt hierna het bezwaar van klaagster gericht tegen twee brieven. Het Gerecht komt tot het oordeel dat hij slechts bevoegd is kennis te nemen van het bezwaar voor zover gericht tegen de beslissing om de werkzaamheden van klaagster te beperken. Het Gerecht zal dat bezwaar echter ongegrond verklaren omdat klaagster geen belang meer heeft bij een beoordeling daarvan. Het Gerecht legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel komt.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
3.1
Klaagster is als ambtenaar werkzaam bij het Ministerie van Bestuur, Planning en Dienstverlening in de functie van Behandelend Medewerker D.
Bestreden brief 1
3.2
Het afdelingshoofd Gegevensverwerking Publieke Zaken (hierna: het afdelingshoofd) heeft klaagster bij brief van 19 januari 2024 met als onderwerp
‘Analyse afwezigheid’kortgezegd bericht dat haar takenpakket tot 1 april 2024 wordt beperkt tot alleen de noodzakelijke werkzaamheden. Klaagster zal daarom tot 1 april 2024 geen huwelijken meer kunnen voltrekken en ook geen verlof tot begraven kunnen afgeven. Dit naar aanleiding van een analyse van de afwezigheid van klaagster in de periode die aan die brief is voorafgegaan. Daaruit blijkt dat zij regelmatig voor korte periodes van een of twee dagen of voor een dagdeel afwezig was, voornamelijk vanwege uiteenlopende gezondheidsredenen. Ook het werktempo van klaagster is volgens het afdelingshoofd beduidend lager dan gemiddeld. Verder heeft het afdelingshoofd vermeld dat met klaagster is afgesproken dat na een halfjaar naar aanleiding van haar aanwezigheidspercentage en de wijze van vervullen van haar werkzaamheden, zal worden geëvalueerd of zij wel of niet aangemeld moet worden bij team mobiliteit om overgeplaatst te worden naar een andere overheidsdienst. Bij de bestreden brief is ook een overzicht van de afwezigheid van klaagster gedurende de periode van september 2023 tot en met 18 januari 2024 bijgevoegd.
Bestreden brief 2
3.3
Klaagster is bij bestreden brief 2 van eveneens 19 januari 2024 door het afdelingshoofd bericht dat er na afstemming met de Beleidsorganisatie Human Resources en Organisatie (HRO) is besloten dat klaagster zich met ingang van 22 januari 2024, voor een periode van 6 maanden, bij arbeidsongeschiktheid op de eerste dag van ziekte bij het Arbo Consult dient te melden. Dit omdat zij zich in de maanden die daaraan zijn voorafgegaan met grote regelmaat voor korte periodes heeft ziekgemeld.
3.4
Klaagster voert sinds 1 april 2024 al haar werkzaamheden weer uit. Ook de afwijkende ziektemeldingsprocedure zoals aangekondigd bij bestreden brief 2 is per 8 augustus 2024 niet meer op klaagster van toepassing.
Is het Gerecht bevoegd kennis te nemen van het bezwaar?
4.1
Het Gerecht dient ambtshalve als eerste te beoordelen of hij op grond van artikel 35 van Pro de RAr bevoegd is kennis te nemen van het bewaar tegen bestreden brief 1 en bestreden brief 2.
4.2
Bestreden brief 1 en bestreden 2 bevatten volgens klaagster een onjuiste weergave van haar afwezigheid in de genoemde periode. Die onjuiste weergave en de conclusies die in bestreden brief 1 en 2 zijn getrokken zijn op rechtsgevolg gericht omdat ze deel uit gaan maken van haar personeelsdossier met als gevolg dat zij in de toekomst daardoor zal worden benadeeld, bijvoorbeeld bij de volgende beoordeling.
4.3
Bestreden brief 1 en bestreden brief 2 zijn volgens de minister geen beschikkingen zoals bedoeld in de RAr omdat ze niet zijn gericht op rechtsgevolg. Het afdelingshoofd heeft met bestreden brief 1 een aantal taken bij klaagster weggehaald zodat zij meer tijd over zou houden om op haar gezondheid te richten en om haar belangrijkste taken naar behoren te vervullen.
4.4
Voor zover hier van belang bepaalt het eerste lid, van artikel 35, van de RAr, dat een bezwaarschrift kan worden ingediend bij de ambtenarenrechter tegen beschikkingen, handelingen of weigeringen om te beschikken of te handelen ten aanzien van een ambtenaar als zodanig. Naar vaste rechtspraak van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 december 2021 (ECLI:NL:ORBAACM:2021:78), dient onder een beschikking te worden verstaan een schriftelijk besluit van een bestuursorgaan, gericht op rechtsgevolg.
Bestreden brief 1
4.5
Bestreden brief 1 is naar oordeel van het Gerecht, voor zover het afdelingshoofd daarbij de ziektedagen van klaagster heeft weergegeven, geen beschikking of handeling zoals bedoeld in artikel 35 van Pro de RAr waartegen bezwaar openstaat bij het Gerecht. Het overzicht is slechts een weergave van de ziektedagen van klaagster en brengt geen rechtsgevolgen tot stand. Dat die weergave volgens klaagster niet klopt en dat zij niet eerst is gehoord over haar afwezigheid, neemt niet weg dat het geen rechtsgevolg teweeg brengt.
4.6
Tegen bestreden brief 1, voor zover het afdelingshoofd daarbij de werkzaamheden van klaagster heeft beperkt, staat wel bezwaar open bij het Gerecht. Klaagster wordt door het beperken van haar werkzaamheden naar oordeel van het Gerecht namelijk wel rechtstreeks in haar rechtspositioneel belang getroffen.
Bestreden brief 2
4.7
Tegen bestreden brief 2 staat naar oordeel van het Gerecht geen bezwaar open. Bestreden brief 2 is niet op rechtsgevolg gericht aangezien het slechts een ziektemeldingsprocedure wijzigt en dus niet van invloed is op de rechtspositie van klaagster. Overigens is die wijziging niet meer van kracht.
Heeft klaagster nog belang bij een beoordeling van de beperking van haar takenpakket?
5.1
Zoals uit overweging 4.6 volgt is het Gerecht bevoegd kennis te nemen van bestreden brief 1 voor zover het afdelingshoofd daarbij de werkzaamheden van klaagster heeft beperkt door te bepalen dat zij geen huwelijken meer mocht voltrekken en ook geen verlof tot begraven mocht afgeven. Het Gerecht moet vervolgens, aangezien klaagster sinds 1 april 2024 al haar werkzaamheden weer uitvoert, ambtshalve beoordelen of zij nog belang heeft bij een beoordeling van het bezwaar tegen de beperking van haar werkzaamheden bij bestreden brief 1.
5.2
Volgens vaste rechtspraak van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken (hierna: de Raad), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 april 2021, ECLI:NL:ORBAACM:2021:4, is voor het antwoord op de vraag of een betrokkene (voldoende) procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van een bezwaar bepalend of het resultaat dat de indiener van het bezwaar nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en of het realiseren van dat resultaat voor de indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van alleen een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang.
5.3
De periode gedurende welke de taken van klaagster werden beperkt is al voorbij, zodat klaagster om die reden thans geen belang meer heeft bij de beoordeling daarvan. Ter zitting heeft klaagster voor het eerst naar voren gebracht dat zij financieel is benadeeld door de beperking van haar werkzaamheden. Daargelaten dat klaagster dit pas ter zitting en dus te laat naar voren heeft gebracht, heeft zij niet toegelicht waaruit dat financieel nadeel bestond en heeft ze evenmin verzocht om vergoeding daarvan. In een verzoek om schadevergoeding kan procesbelang gelegen zijn. Echter, nu een schadevergoedingsverzoek ontbreekt, heeft klaagster geen belang bij de beoordeling van de beperking van haar werkzaamheden door het afdelingshoofd. Het bezwaar, voor zover gericht tegen de beperking van de werkzaamheden van klaagster, zal dan ook wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk worden verklaard.

Conclusie en gevolgen

6. Uit het voorgaande volgt dat het Gerecht alleen bevoegd is kennis te nemen van het bezwaar tegen bestreden brief 1, voor zover het afdelingshoofd de werkzaamheden van klaagster daarbij heeft beperkt. Dat bezwaar zal echter niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
7. Voor een proceskostenveroordeling ziet het Gerecht geen aanleiding.

Beslissing

Het Gerecht in Ambtenarenzaken:
  • verklaartzich
    onbevoegdkennis te nemen van bestreden brief 1 voor zover het afdelingshoofd daarbij een overzicht van de ziektedagen van klaagster heeft weergegeven;
  • verklaarthet bezwaar tegen bestreden brief 1, voor zover het afdelingshoofd de werkzaamheden van klaagster daarbij heeft beperkt,
    niet-ontvankelijk;
  • verklaartzich
    onbevoegdkennis te nemen van bestreden brief 2.
Aldus gedaan door mr. N.M. Martinez, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2024, te Curaçao, in tegenwoordigheid van de griffier, P.N.F. Pereira do Tanque.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend
binnen 30 dagen:
  • als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen 30 dagen na de dag van de uitspraak;
  • in de andere gevallen: binnen 30 dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
  • het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
  • een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
  • vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.