De zaak betreft het bezwaar van een politieagent tegen drie besluiten van de Regering van Curaçao over zijn gratificatie en functiewijziging binnen het Korps Politie Curaçao (KPC). De agent was sinds 2003 lid van het Arrestatieteam (AT) en ontving een toelage van 25% van zijn salaris. Na een disciplinaire maatregel werd hij vanaf oktober 2016 geplaatst bij het Observatieteam (OT) zonder daarvoor een toelage te ontvangen. De Regering had eerder een gratificatie toegekend, maar deze werd door het Gerecht en de Raad van Beroep vernietigd wegens onvoldoende onderbouwing.
In plaats van een nieuwe beschikking over de gratificatie te nemen, nam de Regering drie afzonderlijke besluiten waarin onder meer de intrekking van de toelage en functiewijzigingen werden geregeld. De agent maakte bezwaar tegen deze besluiten. Het Gerecht oordeelt dat de Regering met de intrekking van het landsbesluit van 19 september 2016 en de intrekking van de toelage in strijd heeft gehandeld met het rechtszekerheidsbeginsel en dat de besluiten niet van een kenbare motivering zijn voorzien.
Het Gerecht vernietigt daarom twee besluiten gedeeltelijk of volledig en verklaart het bezwaar tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang. Tevens veroordeelt het de Regering tot betaling van proceskosten aan de agent. De uitspraak benadrukt dat de Regering een nieuwe, goed gemotiveerde beslissing moet nemen over de gratificatie, waarbij duidelijk moet zijn of de agent als lid van het AOE of OT wordt beschouwd.