ECLI:NL:OGAACMB:2025:107

Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
17 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
GAZ CUR202401569, CUR202401699 en CUR202401700
Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • N.M. Martinez
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 98 BrKPNABesluit rechtspositie Korps Politie Nederlandse Antillen 2000Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging van besluiten over gratificatie en functiewijziging politieagent wegens strijd met rechtszekerheid en motiveringsbeginsel

De zaak betreft het bezwaar van een politieagent tegen drie besluiten van de Regering van Curaçao over zijn gratificatie en functiewijziging binnen het Korps Politie Curaçao (KPC). De agent was sinds 2003 lid van het Arrestatieteam (AT) en ontving een toelage van 25% van zijn salaris. Na een disciplinaire maatregel werd hij vanaf oktober 2016 geplaatst bij het Observatieteam (OT) zonder daarvoor een toelage te ontvangen. De Regering had eerder een gratificatie toegekend, maar deze werd door het Gerecht en de Raad van Beroep vernietigd wegens onvoldoende onderbouwing.

In plaats van een nieuwe beschikking over de gratificatie te nemen, nam de Regering drie afzonderlijke besluiten waarin onder meer de intrekking van de toelage en functiewijzigingen werden geregeld. De agent maakte bezwaar tegen deze besluiten. Het Gerecht oordeelt dat de Regering met de intrekking van het landsbesluit van 19 september 2016 en de intrekking van de toelage in strijd heeft gehandeld met het rechtszekerheidsbeginsel en dat de besluiten niet van een kenbare motivering zijn voorzien.

Het Gerecht vernietigt daarom twee besluiten gedeeltelijk of volledig en verklaart het bezwaar tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang. Tevens veroordeelt het de Regering tot betaling van proceskosten aan de agent. De uitspraak benadrukt dat de Regering een nieuwe, goed gemotiveerde beslissing moet nemen over de gratificatie, waarbij duidelijk moet zijn of de agent als lid van het AOE of OT wordt beschouwd.

Uitkomst: Het Gerecht vernietigt twee besluiten van de Regering en verklaart het bezwaar tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk.

Uitspraak

GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO

uitspraak
in de zaak van:

[Klager],

wonende in Curaçao,
klager,
gemachtigde: A.V.E. Vilchez,
tegen

de Regering van Curaçao,

verweerster,
hierna: de Regering,
gemachtigde: mr. A. Faria, advocaat.

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het bezwaar van klager tegen drie Landsbesluiten van 8 februari 2024 met nummers 23/2192 (bestreden besluit 1), 24/362 (bestreden besluit 2) en 24/363 (bestreden besluit 3).
1.2.
De Regering heeft een contramemorie ingediend.
1.3.
Het bezwaar is op 21 mei 2025 ter zitting behandeld. Klager is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De Regering heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

2. Het Gerecht komt na beoordeling van de bestreden besluiten tot het oordeel dat de door klager daartegen gemaakte bezwaren gegrond zijn en vernietigt deze besluiten.
Wat is van belang om te weten in deze zaken?
3.1.
Klager is werkzaam als politieagent bij het Korps Politie Curaçao (KPC). Bij Ministeriële Beschikking van 23 augustus 2004 is klager met ingang van 1 mei 2003 benoemd tot lid van het Arrestatieteam (AT) van het KPC. In verband hiermee ontving klager op grond van artikel 98 van Pro het Besluit rechtspositie Korps Politie Nederlandse Antillen 2000 (BrKPNA) een maandelijkse toelage van 25% van zijn maandsalaris.
3.2.
Klager is bij landsbesluit van 24 mei 2016, met terugwerkende kracht tot 1 december 2013, aangesteld als lid van de Aanhoudings- en Ondersteuningseenheid (AOE), voorheen het Arrestatieteam (AT), in de functie van Senior Medewerker Noodhulp/Handhaving. Klager is vervolgens bij landsbesluit van 19 september 2016 met ingang van 1 oktober 2016 aangesteld in de functie van Senior Medewerker Aanhouden en Ondersteunen, schaal 8P, trede 13. De toelage van 25% is bij dit besluit met ingang van 1 oktober 2016 stopgezet, in afwachting van een nieuw rechtspositiebesluit van het KPC (ter vervanging van het BrKPNA) waarin een grondslag voor toekenning van de toelage zou worden opgenomen.
3.3.
Klager is wegens een disciplinair onderzoek in oktober 2015 op non-actief gesteld. De leiding van het KPC heeft toen aan hem meegedeeld dat hij niet zou worden ingezet als lid van het arrestatieteam totdat dat onderzoek zou worden afgerond. Nadat dat onderzoek is afgerond heeft de Regering een disciplinaire straf opgelegd aan klager, die daartegen bezwaar heeft gemaakt bij de ambtenarenrechter. Die disciplinaire straf is in stand gebleven en de straf is inmiddels uitgevoerd. Vanaf oktober 2016 kon klager zijn werkzaamheden hervatten, maar moest hij zich melden bij het Observatieteam (OT ) waar hij tot heden werkzaam is.
3.4.
De Raad van Ministers heeft bij raadsbesluit van 25 september 2019 ingestemd met de toekenning van toelagen aan de leden van de speciale teams van het KPC die, wegens het ontbreken van een grondslag daartoe, geen toelagen hebben ontvangen in de periode van 1 december 2013 tot en met 31 december 2019. Onder de speciale teams van het KPC vallen onder andere de AOE en het OT.
3.5.
De minister van Justitie heeft klager vervolgens bij Ministeriële Beschikking van 18 maart 2021 (hierna: de MB), met ingang van 1 januari 2017 tot en met 1 januari 2021, een gratificatie toegekend. De minister is daarbij ervan uitgegaan dat klager sinds 31 oktober 2016 werkzaamheden uitvoerde als aangewezen lid van het OT, zonder daarvoor een toelage te hebben ontvangen. Aan de toekenning van de gratificatie heeft de minister het Raadsbesluit van 4 maart 2020 en de met de politievakbonden overeengekomen wijze van vaststelling van de tegemoetkoming op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder e, van het BrKPNA ten grondslag gelegd.
3.6.
Het door klager tegen de MB gemaakte bezwaar is bij uitspraak van het Gerecht van 6 juli 2022 gegrond verklaard. De MB is daarbij vernietigd. Het Gerecht heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de minister, gelet op de bezwaren van klager, niet heeft kunnen toelichten dat de toegekende gratificatie juist is vastgesteld.
3.7.
De Raad van Beroep in Ambtenarenzaken (hierna: de Raad) heeft in het door de minister ingestelde hoger beroep bij uitspraak van 29 januari 2024 (ECLI:NL:ORBAACM:2024:2) de uitspraak van het Gerecht bevestigd, met verbetering van de gronden. Aan deze beslissing heeft de Raad ten grondslag gelegd dat de minister onvoldoende heeft onderbouwd dat klager op 31 oktober 2016 was aangewezen als lid van het OT en dat de op die grond verleende gratificatie juist was. De Raad heeft de minister daarbij opgedragen om binnen zes weken na de uitspraak een nieuwe beschikking te nemen over de aan klager toe te kennen gratificatie. Deze beschikking is tot op heden uitgebleven.
3.8.
Op 25 maart 2024 kreeg klager een e-mailbericht van de Adviseur HRM van het KPC met het verzoek om drie landsbesluiten op te halen. Op 9 april 2024 heeft klager deze landsbesluiten opgehaald.
3.9.
In bestreden besluit 1 is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:
“[…] dat bij landsbesluit d.d. 19 september 2016, no 16/2678 (N0. 2016/034431) de heer [klager], per 1 oktober 2016 benoemd werd tot Senior Medewerker Aanhouden en Ondersteunen, schaal 8P, bij het Korps Politie Curaçao en waarbij per gelijke datum de Ministeriële Beschikking d.d. 23 augustus 2004 no. 3645/4/MJ’04, regelende de toekenning van een maandelijkse toelage naar reden van 25% van zijn bezoldiging ingetrokken werd;
Dat in het boven vermeld landsbesluit de heer [klager] door omissie niet uit de functie van Senior Medewerker Noodhulp/Handhaving is ontheven, alvorens hem te benoemen tot Senior Medewerker Aanhouden en Ondersteunen bij het Korps Politie Curaçao;
Dat in verband hiermede het noodzakelijk is vermeld landsbesluit in te trekken en een nieuwe uit te vaardigen:
HEEFT GOEDGEVONDEN:
Het landsbesluit d.d. 19 september 2016, no 16/2678 (No. 2016/034431) in te trekken. […]”
3.10.
In bestreden besluit 2 heeft de Regering bepaald dat in verband met de overgang naar het nieuwe Gereorganiseerde KPC klager wordt ontheven van de functie van Senior Medewerker Noodhulp/Handhaving en benoemd tot Senior Medewerker Aanhouden en Ondersteunen met ingang van 1 oktober 2016. Verder heeft de Regering in dit landsbesluit vermeld dat de ministeriële beschikking d.d. 23 augustus 2004 no. 3645/4/MJ’04, regelende de toekenning van een maandelijkse toelage naar reden van 25% van de bezoldiging van klager per gelijke datum wordt ingetrokken.
3.11.
In bestreden besluit 3 heeft de Regering vermeld dat klager met ingang van 31 oktober 2016 wordt ontheven uit de functie Senior Medewerker Aanhouden en Ondersteunen en benoemd wordt in de functie van Senior Medewerker Observatie.
Standpunt klager
4.1.
Klager stelt het niet eens te zijn met bestreden besluit 1 omdat hij het niet eens is met het op grond van dat landsbesluit ingetrokken landsbesluit d.d. 19 september 2016. In laatstgenoemde landsbesluit is namelijk bepaald dat de maandelijkse toelage van 25% van zijn bezoldiging wordt ingetrokken.
4.2.
Klager heeft bezwaar gemaakt tegen bestreden besluit 2, omdat hij het niet eens is met de daarin vastgestelde intrekking van de maandelijkse toelage van 25% van zijn bezoldiging. Klager stelt dat deze intrekking onterecht is, nu de Regering zich volgens klager niet heeft gehouden aan de destijds gemaakte afspraken omtrent de toe te kennen gratificatie ter compensatie van de stopzetting van de toelage. Klager heeft aangegeven dat hij gelet hierop de voor 1 oktober 2016 bestaande situatie waarbij hij een maandelijkse toelage van 25% van zijn bezoldiging ontving wil behouden.
4.3.
Klager heeft bezwaar gemaakt tegen bestreden besluit 3 omdat hij het niet eens is met zijn benoeming als Senior medewerker Observatie met ingang van 31 oktober 2016. Klager stelt dat met hem is afgesproken dat hij tijdelijk, namelijk gedurende een toen lopende disciplinair onderzoek, zou worden tewerkgesteld bij het OT maar dat het geenszins de bedoeling was om hem formeel bij het OT te plaatsen. Die plaatsing heeft zonder voorafgaande mededeling aan hem plaatsgevonden en hij is het daar niet mee eens omdat hij daarmee in een rechtspositioneel minder gunstige positie terechtkomt. Al deze drie bestreden besluiten zijn volgens klager in strijd met het motiveringsbeginsel tot stand gekomen.
Standpunt Regering
5.1.
De Regering betoogt dat klager mondeling is bericht dat hij geen lid meer kon zijn van het AT. Bestreden besluit 3 kan dan ook geen verrassing zijn voor klager. Het Stond klager verder vrij om, indien hij het niet eens was met zijn feitelijke tewerkstelling bij het OT, daartegen bezwaar te maken. Door dit na te laten en gedurende acht jaren feitelijk als OT lid te werken, heeft klager impliciet ingestemd met zijn plaatsing binnen het OT. Zijn instemming met zijn feitelijke plaatsing bij het OT volgt ook uit het feit dat hij bij de sectordirecteur van het Ministerie van Justitie en het hoofd van de politiedienst heeft verzocht om een formele vastlegging van zijn ontslag uit het arrestatieteam en zijn benoeming binnen het OT, aldus de Regering. Daarnaast heeft klager, in het kader van onderhandelingen betreffende de vervangende gratificaties in 2020, zelf getekend voor een voorstel dat specifiek betrekking had op leden van het OT. De Regering stelt tot slot dat klager, anders dan hij stelt, door de plaatsing in het OT financieel niet is benadeeld.
Oordeel Gerecht over bestreden besluit 1,2 en 3
6.1.
In plaats van een nieuwe beschikking te nemen over de aan klager toe te kennen gratificatie per januari 2017, zoals de Raad de Regering bij uitspraak van 29 januari 2024 heeft opgedragen, heeft de Regering kennelijk gekozen voor het nemen van deze drie besluiten ter afdoening van het geschil. Dat heeft niet alleen geen einde gemaakt aan het geschil, maar heeft met zich gebracht dat klager in het kader van deze procedure alsnog kon opkomen tegen een beslissing die in rechte onaantastbaar was geworden, namelijk de in het Landsbesluit van 19 september 2016 vastgelegde intrekking van de toelage van 25% van zijn maandloon per 1 oktober 2016. Het Gerecht legt dit hierna uit.
6.2
De Regering heeft het landsbesluit van 19 september 2016 ingetrokken met als reden dat in dat landsbesluit niet expliciet is vermeld dat klager uit zijn oude functie is ontheven. Kennelijk meent de Regering dat de benoeming van een ambtenaar in een nieuwe functie niet automatisch de ontheffing van die persoon uit de eerdere functie impliceert. Daarvoor biedt de Lma echter geen grond, zodat dat niet juist is. Dat uitgangspunt heeft in dit geval geleid tot de onnodige intrekking van het landsbesluit van 19 september 2016. Als gevolg van die intrekking is in bestreden besluit 2 vastgelegd dat de Ministeriële Beschikking van 23 augustus 2004 op grond waarvan klager een maandelijkse toelage van 25% van zijn maandloon ontving “per gelijke datum” wordt ingetrokken. Indien het landsbesluit van 19 september 2016 niet zou zijn ingetrokken, had klager behoudens nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, niet meer kunnen opkomen tegen de al in dat landsbesluit vastgelegde intrekking van die toelage. Echter, het gevolg van de intrekking van dat landsbesluit en daarmee ook de intrekking van de maandelijkse toelage van 25% in het bestreden besluit 2 is dat klager thans alsnog bezwaar mocht maken tegen die intrekking.
6.3.
De Regering stelt dat klager vanaf oktober 2016 tot heden feitelijk werkzaam is geweest bij het OT zonder dat hij daartegen rechtsmiddelen heeft aangewend. Daarom kon ze in redelijkheid aannemen dat klager geen bezwaren zou hebben tegen de formalisering van die feitelijke situatie, wat op grond van bestreden besluit 3 heeft plaatsgevonden.
6.4.
Deze stelling slaagt niet. Uit de door de Regering overgelegde Whatsapp communicatie tussen klager en een lid van het managementteam van het KPC en de hierover door klager gegeven toelichting ter zitting volgt dat klager juist duidelijk heeft gemaakt aan de leiding van het KPC dat hij niet bij het OT wilde blijven en last had van het feit dat hij steeds aan het lijntje werd gehouden en geen uitsluitsel kreeg over wanneer hij weer zou worden ingezet bij het AOE. Aldus mocht de Regering niet aannemen dat klager geen bezwaar had tegen zijn formele plaatsing met terugwerkende kracht tot 31 oktober 2016. Daargelaten dat de beslissing tot die plaatsing, zoals vastgelegd in bestreden besluit 3, niet van een kenbare motivering is voorzien, is de door de Regering in deze procedure gegeven motivering dus ook niet draagkrachtig. Al om die reden dient bestreden besluit 3 te worden vernietigd en kunnen de rechtsgevolgen daarvan niet in stand blijven.
6.5.
Mede omdat het voor de Regering kenbaar had moeten zijn dat klager niet bij het OT werkzaam wilde zijn, heeft ze met de plaatsing van klager met terugwerkende kracht bij het OT in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel gehandeld. Ook om die reden kan bestreden besluit 3 niet in stand blijven.
6.6.
Vernietiging van bestreden besluit 3 brengt met zich dat de Regering een nieuwe beslissing moet gaan nemen ten aanzien van de aan klager na 1 oktober 2016 betaalde compensatie. Immers, bepalend voor de gratificatie is of klager als lid van het OAE of als lid van het OT moet worden uitbetaald.
6.7
Ook bestreden besluit 2 kan niet in stand blijven voor zover de Regering in dat besluit ongemotiveerd de waarnemingstoelage van klager heeft ingetrokken. Zoals het Gerecht hierboven heeft overwogen heeft de Regering met de intrekking van het landsbesluit van 19 september 2016 en vervanging daarvan door bestreden besluit 2 de mogelijkheid voor het instellen van een rechtsmiddel daartegen opnieuw geopend nadat die beslissing al in rechte onaantastbaar was geworden. Een draagkrachtige motivering voor intrekking van de 25% toelage is in het kader van deze procedure ook niet gegeven zodat ook de rechtsgevolgen van die beslissing niet in stand kunnen blijven. Voor het overige kan bestreden besluit 2 in stand blijven omdat klager geen bezwaar heeft tegen de in dat besluit vastgelegde aanstelling ingaande 1 oktober 2016 als Senior Medewerker Aanhouden en Ondersteunen.
6.8.
Klager heeft mede in het licht van het voorgaande niet toegelicht waarom hij in het kader van dit bezwaar er belang bij heeft om op te komen tegen bestreden besluit 1 nu bestreden nu het ingetrokken besluit nagenoeg dezelfde inhoud heeft als bestreden besluit 2, waartegen hij uitsluitend opkomt wat betreft de intrekking van de 25% toelage. . Gelet hierop zal het Gerecht dit bezwaar van klager niet-ontvankelijk verklaren wegens het ontbreken van procesbelang.

Conclusie en gevolgen

De slotsom is dat de bezwaren tegen bestreden besluiten 2 en 3 gegrond zijn. Wegens het ontbreken van procesbelang zal het Gerecht het bezwaar van klager tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaren. De bestreden besluiten 2 en 3 zijn niet van een voor klager kenbare motivering voorzien en zullen daarom worden vernietigd. Voor het in stand laten van de rechtsgevolgen ziet het Gerecht geen grond omdat de bij contramemorie en ter zitting gegeven toelichting van de Regering het motiveringsgebrek niet heelt.
Het Gerecht ziet aanleiding om, met overeenkomstige toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, de Regering te veroordelen in de proceskosten van klager in de bezwaren tegen de bestreden besluiten. De gemachtigde heeft één bezwaarschrift ingediend, waardoor hiervoor slechts één punt wordt toegekend. De proceskosten worden vastgesteld op Cg 1.400,-, bestaande uit 2 punten à Cg 700,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting).

Beslissing

Het Gerecht in Ambtenarenzaken:
GAZ CUR202401569:
-
verklaarthet bezwaar tegen bestreden besluit 1
niet-ontvankelijk;
GAZ CUR202401699 en CUR202401700:
  • verklaart het bezwaar tegen bestreden besluit 2 gedeeltelijk gegrond;
  • verklaart het bezwaar tegen bestreden besluit 3 gegrond;
  • vernietigt bestreden besluit 2 uitsluitend voor zover daarin is bepaald dat de 25% toelage wordt ingetrokken;
  • vernietigt bestreden besluit 3;
  • veroordeeltde Regering tot betaling aan klager van zijn proceskosten tot een bedrag van Cg1.400,- geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus gedaan door mr. N.M. Martinez, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier, P.N.F. Pereira do Tanque.