ECLI:NL:OGAACMB:2025:52

Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
31 maart 2025
Publicatiedatum
15 mei 2025
Zaaknummer
AUA202402045
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N.K. Engelbrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 Landsverordening vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen herstel in activiteit na arbeidsongeschiktheid ongegrond verklaard

Klaagster maakte bezwaar tegen het Landsbesluit van 14 maart 2024 waarin zij met ingang van 2 oktober 2023 in activiteit werd hersteld na een periode van arbeidsongeschiktheid. Zij stelde dat haar arbeidsongeschiktheidsperiode op 17 mei 2021 was begonnen en niet op 15 juni 2021 zoals vermeld, en dat zij niet onafgebroken ziek was geweest. Klaagster verzocht vernietiging van het besluit en terugbetaling van ten onrechte ingehouden bezoldiging.

Verweerder betoogde dat klaagster niet-ontvankelijk was wegens gebrek aan procesbelang, omdat het herstel in activiteit en de aanpassing van het inkomen correct waren uitgevoerd conform artikel 37 van Pro de Landsverordening vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren (Lvvda). Het gerecht onderzocht de overgelegde verzuimstaten en concludeerde dat klaagster langer arbeidsongeschikt was dan zij zelf aangaf.

Het gerecht oordeelde dat het bezwaar tegen de aantekening over de aanvangsdatum van de vrijstelling van dienst niet-ontvankelijk was wegens ontbreken van procesbelang en dat het bezwaar tegen het herstel in activiteit en aanpassing van het inkomen ongegrond was. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan op 31 maart 2025.

Uitkomst: Het bezwaar van klaagster is deels niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond verklaard, waarmee het besluit tot herstel in activiteit en inkomensaanpassing wordt bevestigd.

Uitspraak

Uitspraak van 31 maart 2025
Gaza nr. AUA202402045

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK
op het bezwaar in de zin van
de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

[Klaagster],

wonend te Aruba,
KLAAGSTER,
gemachtigde: de advocaat mr. R.P. Lee,
tegen:

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,

zetelend te Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. V.M. Emerencia (DWJZ).

INLEIDING

1.1
In deze uitspraak beoordeelt het gerecht het bezwaar van klaagster tegen het Landsbesluit van 14 maart 2024, no. 7 (de bestreden beschikking), ontvangen door klaagster op 7 juni 2024. In de bestreden beschikking heeft verweerder besloten om (I) klaagster met ingang van 2 oktober 2023 in activiteit te herstellen, (II) aan te tekenen dat het inkomen van klaagster met ingang van 2 oktober 2023 naar 100% van het vol inkomen is aangepast en (III) aan te tekenen dat aan klaagster met ingang van 15 juni 2021 tot en met 1 oktober 2023 vrijstelling van dienst met behoud van inkomen wegens ziekte is verleend.
1.2
Klaagster heeft voornoemd bezwaarschrift op 20 juni 2024 bij het gerecht ingediend.
1.3
Verweerder heeft op 4 december 2024 met een contramemorie gereageerd op het bezwaar van klaagster.
1.4
Het gerecht heeft het bezwaar behandeld ter zitting van 3 februari 2025. Partijen zijn verschenen bij hun gemachtigden voornoemd.
1.5
Hierna is de uitspraak bepaald op vandaag.

BEOORDELING

Standpunten van partijen

2.1
Klaagster kan zich niet vinden in de bestreden beschikking en stelt – kort gezegd – dat de daarin vermelde feiten onjuist zijn. Volgens klaagster is haar arbeidsongeschiktheidsperiode aangevangen op 17 mei 2021, en niet op 15 juni 2021, en volgt uit de verzuimstaat van de SVB dat zij niet onafgebroken ziek is geweest. De bestreden beschikking is daardoor in strijd met het zorgvuldigheids-, rechtszekerheids-, en motiveringsbeginsel. Aldus klaagster. Zij verzoekt het gerecht om de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat verweerder wordt bevolen de ten onrechte toegepaste inkortingen op de bezoldiging van klaagster binnen een maand aan klaagster terug te betalen.
2.2
Verweerder stelt zich allereerst op het standpunt dat klaagster niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar bezwaar, vanwege het ontbreken van procesbelang. Het vernietigen van de bestreden beschikking, zoals door klaagster verzocht, zal geen verandering brengen in haar rechtspositie. Ter onderbouwing hiervan heeft verweerder aangevoerd, dat klaagster vanaf 17 mei 2021 tot 1 oktober 2023 onafgebroken arbeidsongeschikt was en dat artikel 37 van Pro de Landsverordening vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren (Lvvda) voorschrijft, dat na het eindigen van een vrijstelling van dienst wegens ziekte, de betrokken ambtenaar bij beschikking in activiteit dient te worden hersteld, hetgeen bij de bestreden beschikking is gebeurd. Verweerder heeft als begindatum 15 juni 2021 gekozen omdat klaagster zich binnen 30 dagen nadat zij zich voor het eerst op 17 mei 2021 ziek had gemeld, opnieuw ziek meldde. Deze aanvangsdatum brengt echter geen wijziging in het feit dat zij op 2 oktober 2023 in activiteit is hersteld. Aldus verweerder.
Het geschil
3. Ter beantwoording ligt voor de vraag of verweerder op goede gronden de bestreden beslissing heeft genomen. Bij de beoordeling neemt het gerecht het volgende in aanmerking.
Het wettelijk kader
4. Ingevolge artikel 37 van Pro de Lvvda is -voor zover hier van belang- na eindiging van een vrijstelling van dienst wegens ziekte van meer dan dertig dagen herstel in activiteit bij beschikking vereist. Deze inactiviteitherstelling geschiedt door het bevoegde gezag.
De beoordeling
5.1
Uit de door verweerder overgelegde verzuimstaat, aangemaakt door Medisoft Dossier Manager op maandag 4 november 2024, kan worden afgeleid dat klaagster zich vanaf 17 mei 2021 tot 8 april 2022 regelmatig en telkens binnen dertig dagen ziek heeft gemeld, en vanaf 22 april 2022 tot en met 1 oktober 2024 onafgebroken ziek was. Dat de in deze verzuimstaat vermelde meldingen van arbeidsongeschiktheid niet correct zouden zijn, is niet gebleken. De door klaagster bij haar bezwaarschrift overgelegde verzuimstaat (aangemaakt door Medisoft dossier manager op maandag 5 juni 2023) is niet compleet, nu daarin de helft van de regels zwart is gemaakt (om en om) waardoor de verzuimduur op die regels niet te lezen is. Het gerecht stelt vast dat klaagster langer arbeidsongeschikt was dan op die incomplete verzuimstaat staat vermeld, en dus ook langer dan klaagster meent.
5.2
Gelet hierop is het gerecht van oordeel, dat verweerder op goede gronden klaagster met ingang van 2 oktober 2024 in activiteit heeft hersteld met de aantekening dat haar inkomen met ingang van die datum naar 100% van het vol inkomen is aangepast. Verder deelt het gerecht de opvatting van verweerder dat niet valt in te zien op welke wijze klaagster door de aantekening dat zij met ingang van 15 juni 2021 (in plaats van 17 mei 2021) vrijstelling van dienst met behoud van inkomen wegens ziekte is verleend, in haar rechtspositie wordt geschaad.

CONCLUSIE

6.1
Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het bezwaar wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk is, voor zover het gericht is tegen de aantekening onder (III), en overigens ongegrond is.
5.2
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:
- verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk, voor zover gericht tegen de aantekening dat klaagster met ingang van 15 juni 2021 tot en met 1 oktober 2023 vrijstelling van dienst met behoud van inkomen wegens ziekte is verleend,
- verklaart het bezwaar overigens ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in ambtenarenzaken, bijgestaan door mr. drs. A.A. Wever, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op maandag 31 maart 2025, in aanwezigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend
binnen 30 dagen:
  • na de dag van de uitspraak, als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest;
  • na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, in de andere gevallen.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
  • het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
  • een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
  • vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.