Klager, werkzaam als ambtenaar bij Bureau Interne Diensten, zat van 29 mei tot 28 augustus 2019 in voorlopige hechtenis en was daardoor van rechtswege geschorst. Vervolgens werd hij tot 28 oktober 2022 in het belang van de dienst geschorst. Deze schorsingsbesluiten zijn rechtmatig en staan vast. Klager werd op 28 oktober 2022 ontslagen, maar dit ontslag werd op 8 februari 2023 door het gerecht vernietigd wegens disproportionaliteit, waarna klager zijn werkzaamheden op 16 februari 2023 hervatte.
Klager verzocht om toekenning van niet-genoten vakantiedagen over de periode van 29 mei 2019 tot 16 februari 2023, maar verweerder wees dit af. Het gerecht oordeelt dat over de schorsingsperiode geen aanspraak op vakantiedagen bestaat, maar dat het verzoek om compensatie voor de periode van onrechtmatig ontslag niet afdoende is behandeld. Het volledig onthouden van compensatie voor circa vier maanden onrechtmatig niet-werken is onredelijk.
Daarom verklaart het gerecht het bezwaar gegrond, vernietigt de bestreden beschikking en draagt verweerder op binnen drie maanden opnieuw te beslissen, met inachtneming van de overwegingen. De uitspraak is gedaan door rechter Winfield op 9 juni 2025.