Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGAACMB:2025:67

Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
7 juli 2025
Publicatiedatum
10 juli 2025
Zaaknummer
SXM202401429-GAZ 17/2024
Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38 Rechtspositiebesluit politie Sint MaartenArt. 4 Landsbesluit organisatie, taken en bevoegdheden LandsrechercheArt. 41 Regeling Ambtenarenrechtspraak
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift tegen uitblijven besluit benoeming Hoofd Landsrecherche Sint Maarten

Klaagster, sinds juli 2020 waarnemend Hoofd van de Landsrecherche, verzocht op 10 juli 2024 om benoeming in die functie. Verweerder, de Minister van Justitie van Sint Maarten, nam geen besluit op dit verzoek. Klaagster diende op 10 december 2024 pro forma bezwaar in tegen de fictieve weigering.

Tijdens de zitting op 16 juni 2025 bevestigde verweerder dat nog geen beslissing was genomen, maar gaf aan binnen vier tot zes weken te zullen beslissen. Het Gerecht oordeelde dat de termijn voor besluitvorming onredelijk was verstreken en dat het bezwaar gegrond was.

Het Gerecht vernietigde de fictieve weigering en droeg verweerder op binnen vier weken een besluit te nemen. Een dwangsom werd niet opgelegd. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van Cg 700,-- aan klaagster.

Uitkomst: Het bezwaar wordt gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen binnen vier weken te beslissen op het benoemingsverzoek.

Uitspraak

Zaaknummer: SXM202401429-GAZ 17/2024
Datum: 7 juli 2025
HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN SINT MAARTEN
UITSPRAAK
In het geding van:

[klaagster],

wonende te Sint Maarten,
klaagster,
gemachtigde: mr. J.J. ROGERS,
tegen

DE MINISTER VAN JUSTITIE VAN SINT MAARTEN,

zetelend te Sint Maarten,
verweerder,
gemachtigde: mr. R.F. GIBSON jr.

Procesverloop

Bij brief van 10 juli 2024 heeft klaagster verweerder verzocht om haar aan te stellen in de functie van Hoofd van de Landsrecherche.
Klaagster heeft op 10 december 2024 pro forma bezwaar tegen de fictieve weigering om te beslissen op het verzoek ingediend bij het Gerecht. Daarna zijn de gronden aangevuld.
Verweerder heeft een contra- memorie ingediend.
De openbare behandeling van het bezwaar heeft op 16 juni 2025 plaatsgevonden. Klaagster is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd die op schrift gestelde pleitaantekeningen heeft overgelegd en voorgedragen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, die werd vergezeld door mr. V. Jusia, lid van het Kabinet van de Minister van Justitie.
De uitspraak is bepaald op heden.

Overwegingen

Feiten en standpunten

1.1.
Klaagster is sinds juli 2020 door verweerder belast met de functie van waarnemend Hoofd van de Landsrecherche. Bij brief van 10 juli 2024 heeft klaagster zich tot verweerder gericht met het verzoek om haar conform artikel 38, zesde lid, van het Rechtspositiebesluit politie Sint Maarten te plaatsen in de functie van Hoofd van de Landsrecherche.
1.2.
Verweerder heeft niet op het verzoek van klaagster beslist.
1.3.
In het bezwaarschrift verzoekt klaagster het Gerecht om de fictieve weigering om te beslissen op het verzoek te vernietigen, en verweerder primair op te dragen om klaagster binnen twee weken na uitspraak te benoemen tot Hoofd Landsrecherche onder verbeurte van een dwangsom. Subsidiair verzoekt klaagster om verweerder op te dragen binnen twee weken na uitspraak een beslissing te nemen op verzoek van klaagster onder verbeurte van een dwangsom. Ook verzoekt klaagster om een proceskostenvergoeding.
1.4.
Het bezwaar ziet volgens de toelichting van klaagster op het uitblijven van een beslissing op haar verzoek betreffende benoeming c.q. aanstelling. Daarbij heeft klaagster het standpunt ingenomen dat verweerder rechtens gehouden is om klaagster te benoemen danwel voor te dragen voor voornoemde functie.
1.5.
Verweerder bestrijdt dat verweerder gehouden is om klaagster te benoemen in de functie van Hoofd van de Landsrecherche, nu deze benoeming gelet op het bepaalde in artikel 4 van Pro het Landsbesluit organisatie, taken en bevoegdheden Landsrecherche slechts kan plaatsvinden met instemming van de Procureur-Generaal. Wel erkent verweerder dat hij binnen een redelijke termijn gehouden is een beslissing te nemen op het verzoek van klaagster. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd verklaard dat er binnen vier tot zes weken een beslissing kan worden genomen.
Beoordeling van het Gerecht
2.1.
Artikel 41, eerste lid, van de Regeling Ambtenarenrechtspraak (hierna: Rar) bepaalt dat het bezwaarschrift tegen een weigering moet worden ingediend binnen dertig dagen na de dag waarop de aangevallen weigering is genomen, verricht of uitgesproken. Het tweede lid bepaalt dat een orgaan wordt geacht de weigering tot het nemen van een beschikking of het verrichten van een handeling te hebben uitgesproken, indien het binnen de daarvoor bepaalde tijd of, waar een tijdsbepaling ontbreekt, binnen redelijke tijd een verplichte beschikking niet is genomen of een verplichte handeling niet verricht heeft. In dit geval loopt de termijn van dertig dagen van de dag, waarop de weigering wordt geacht te zijn uitgesproken.
2.2.
De Rar bepaalt niet een wettelijke termijn waarbinnen moet zijn beslist. Nu ook overigens geen wettelijke beslistermijn is gevonden dient binnen een redelijke termijn te worden beslist. Het Gerecht is van oordeel dat op 10 december 2024, toen klaagster haar bezwaarschrift bij het Gerecht indiende, een redelijke beslistermijn in elk geval was verstreken.
2.3.
Het Gerecht stelt vast dat tijdens de mondelinge behandeling door verweerder is bevestigd dat verweerder nog steeds geen beslissing heeft genomen op het verzoek van klaagster.
2.4.
Het Gerecht overweegt dat de weigering om te beschikken in de Rar niet als een afwijzende beschikking, noch als een goedkeurende beschikking wordt gekwalificeerd. De mogelijkheid van het instellen van een rechtsmiddel tegen de weigering om te beschikken is primair een procedureel middel dat kan worden ingezet om het bestuursorgaan te bewegen tot besluitvorming. Gelet hierop dient een ontvankelijk bezwaarschrift ingediend door een belanghebbende tegen de weigering om te beschikken gegrond te worden verklaard waarbij het bestuursorgaan moet worden opgedragen om alsnog binnen een bepaalde termijn een beschikking af te geven.
2.5.
Gezien het voorgaande is het Gerecht van oordeel dat het bezwaar gegrond dient te worden verklaard en verweerder moet worden opgedragen om alsnog een beschikking af te geven op het verzoek van klaagster. Gelet op het verhandelde ter zitting en de omstandigheid dat er meer dan elf maanden zijn verstreken na het indienen door klaagster van haar verzoek, ziet het Gerecht aanleiding om verweerder op te dragen op korte termijn, binnen vier weken, te beslissen op het verzoek van klaagster.
2.6.
Klaagster verzoekt oplegging van een dwangsom, aangezien klaagster al lang probeert een beslissing te krijgen en gezien het tijdsverloop in deze procedure. Bij een eerste fictieve weigering is het Gerecht niet gewoon een dwangsom op te leggen. In het onderhavige geval ziet het Gerecht geen aanleiding om daarvan af te wijken.
2.7.
Het Gerecht ziet aanleiding aanwezig om te bepalen dat verweerder aan klager een bedrag betaalt als vergoeding van door klager gemaakte proceskosten. Deze worden naar analogie van het Besluit Proceskosten Bestuursrecht bepaalt op Cg 700,-- (te weten 2 punten a Cg 700,-, 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een wegingsfactor 0,5 in verband met de relatieve eenvoud van de zaak).

Beslissing

Het Gerecht in ambtenarenzaken:
- verklaart het bezwaar gegrond en vernietigt de bestreden (fictieve) beschikking;
- draagt verweerder op binnen vier weken na dagtekening van deze uitspraak te beslissen op het verzoek van klaagster;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding aan klaagster van een bedrag van Cg 700,-- voor de kosten van deze procedure.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Martinez-Hammer, rechter in het Gerecht in ambtenarenzaken van Sint Maarten en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 7 juli 2025.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest; en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van de toezending van de uitspraak of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
- het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
- een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
- vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.