Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGAACMB:2026:11

Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
CUR202501257
Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N.M. Martinez
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit herinschaling ambtenaar wegens motiveringsgebrek

Klaagster, senior adviseur bij het Bureau Secretariaatvoering SER/ROA/GOA, maakte bezwaar tegen het besluit van de Regering van Curaçao waarin haar bezoldiging vanaf 15 juni 2016 werd vastgesteld op schaal 15, trede 2. Zij betoogde dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd en dat de herinschaling met terugwerkende kracht tot 10 oktober 2010 had moeten plaatsvinden met een hogere trede.

Het Gerecht oordeelde dat het bestreden besluit niet kenbaar en deugdelijk was gemotiveerd. De Regering had niet toegelicht waarom de ingangsdatum 15 juni 2016 was gekozen en waarom de inschaling in trede 2 was vastgesteld. Ook was onduidelijk of de door klaagster aangevoerde documenten een rol hadden gespeeld in de besluitvorming.

De Regering erkende ter zitting dat het besluit onhoudbaar was en verzocht om vernietiging. Het Gerecht vernietigde het besluit en droeg de Regering op binnen drie maanden een nieuw besluit te nemen, waarbij de ingangsdatum van herinschaling 10 oktober 2010 zou moeten zijn en de trede-ontwikkeling daarop aansluit.

Daarnaast werd de Regering veroordeeld tot betaling van proceskosten aan klaagster. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 23 maart 2026 door rechter N.M. Martinez.

Uitkomst: Het bezwaar wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de Regering opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Uitspraak

GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO

Uitspraak
in de zaak van:

[eiseres],

wonende te Curaçao,
klaagster,
gemachtigde: A.V.E. Vilchez,
tegen:

de Regering van Curaçao,

hierna: de Regering,
verweerster,
gemachtigde: drs. R.J. Henriquez

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het bezwaar van klaagster tegen het besluit van de Regering van 25 februari 2025 waarbij de bezoldiging van klaagster vanaf 15 juni 2016 is vastgesteld op schaal 15, trede 2 (het bestreden besluit).
1.1
Klaagster heeft het bestreden besluit ontvangen op 20 maart 2025. Op 17 april 2025 heeft klaagster bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit en op 23 mei 2025 aanvullende gronden ingediend. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de Regering geen contramemorie ingediend.
1.2
Het bezwaar is op 9 februari 2026 ter zitting behandeld. Klaagster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De Regering heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R.J. Henriquez.
1.3
Het bezwaar is ter zitting gelijktijdig behandeld met een ander bezwaar, namelijk het bezwaar van een collega van klaagster tegen een met het bestreden besluit vergelijkbaar besluit (CUR202501260).

Beoordeling door het Gerecht

2. Het Gerecht beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van de door klaagster daartegen aangevoerde gronden. Het Gerecht komt tot het oordeel dat het bezwaar gegrond is. Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd. De Regering is overigens voornemens om terug te komen op het bestreden besluit. Het Gerecht zal daarom de Regering opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Hierna legt het Gerecht uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
3.1
Klaagster is aangesteld in de functie van senior adviseur adviesorganen bij het Bureau Secretariaatvoering SER/ROA/GOA.
3.2
Bij landsbesluit van 25 november 2010 is de bezoldiging van klaagster vanaf 1 januari 2010 vastgesteld op schaal 14, trede 1. Bij de overgang naar het Land Curaçao bleef de bezoldiging van klaagster vastgesteld op schaal 14 trede 1.
Wat heeft de Regering aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd?
4. De Regering heeft het bestreden besluit gebaseerd op een correctie op grond van het gelijkheidsbeginsel. In 2016 werd de vacature voor de functie van senior adviseur adviesorganen opengesteld en werd bij de vervulling daarvan de bezoldiging op schaal 15 vastgesteld. Daardoor ontstond een scheve verhouding in de inschaling van deze functie en is besloten de bezoldiging van klaagster per 15 juni 2016 recht te trekken naar schaal 15.
Wat voert klaagster aan en wat vindt het Gerecht daarvan?
5. Klaagster voert aan dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd omdat de Regering niet heeft toegelicht waarom ze beslist heeft tot inschaling in schaal 15 met terugwerkende kracht tot 15 juni 2016. Ook is de inschaling in trede 2 niet juist en ontbreekt daarover een uitleg. Volgens klaagster had zij met terugwerkende kracht tot 10 oktober 2010 in schaal 15 moeten worden ingeschaald en had haar een hogere trede moeten worden toegekend, rekening houdend met de opbouw van jaarlijkse treden vanaf 10 oktober 2010. Klaagster wijst ter onderbouwing op diverse documenten, waaronder het rapport “Opzet en inrichting van de Sociaal Economische Raad (SER) van het toekomstige Land Curaçao” van 4 juni 2010, de aanbiedingsbrief van dit rapport van het Bestuurscollege aan de SER van 20 augustus 2010 en een advies van de waarnemend directeur Human Resources en Organisatie [naam waarnemend directeur] van 20 november 2024.
5.1
De Regering heeft ter zitting verklaard dat ze naar aanleiding van deze bezwaarprocedure voornemens is terug te komen van het bestreden besluit. De Regering erkent namelijk dat de gekozen begrenzing van de correctie van de inschaling onjuist is en dat het bestreden besluit niet houdbaar is. De Regering verzoekt het Gerecht het bestreden besluit te vernietigen en haar op te dragen een nieuw besluit te nemen.
5.2
Het betoog van klaagster slaagt. Naar het oordeel van het Gerecht blijkt uit het bestreden besluit onvoldoende waarop de herinschaling van klaagster is gebaseerd en waarom voor de ingangsdatum 15 juni 2016 is gekozen. Niet duidelijk is bijvoorbeeld of en zo ja hoe de door klaagster genoemde documenten een rol hebben gespeeld in de besluitvorming. Evenmin blijkt uit het bestreden besluit wat de grondslag is van de toegekende trede. Het Gerecht concludeert dat het bestreden besluit niet kenbaar en deugdelijk is gemotiveerd. Het bestreden besluit zal daarom worden vernietigd.
5.3
De Regering zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van het hiervoor in 6.2 overwogene. De Regering zal daarbij in acht moeten nemen haar toezegging ter zitting dat de ingangsdatum van herinschaling van klaagster 10 oktober 2010 zou moeten zijn en dat de trede-ontwikkeling daarop moet aansluiten. Het Gerecht geeft de Regering bovendien in overweging om in (een bijlage van) het nieuwe besluit direct een specificatie van de berekening van het alsnog verschuldigde salaris te verstrekken.

Conclusie en gevolgen

6. De slotsom is dat het bezwaar gegrond is. Het bestreden besluit bevat een motiveringsgebrek en zal worden vernietigd. Het Gerecht zal de Regering opdragen om binnen drie maanden een nieuw besluit te nemen met inachtneming van wat onder 6.2 en 6.3 is overwogen.
7. In het voorgaande ziet het Gerecht aanleiding om, met overeenkomstige toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, de Regering te veroordelen in de proceskosten van klaagster. Deze vergoeding wordt bepaald op Cg 700,- in verband met door een derde beroepsmatig verleende bijstand ter zitting (1 punt voor het bijwonen van de zitting, waarde per punt Cg 700,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

Het Gerecht in Ambtenarenzaken:
  • verklaart het bezwaar
  • vernietigthet bestreden besluit van 25 februari 2025;
  • draagt de Regering op binnen drie maanden na heden met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;
  • veroordeeltde Regering tot betaling aan klaagster van haar proceskosten tot een bedrag van Cg 700,-.
Aldus gedaan door mr. N.M. Martinez, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier mr. C. Anselma-Bernsen.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de RvBAz van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz) Het hoger beroepschrift moet worden ingediend
binnen 30 dagenna de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
- het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
- een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
- vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.