2.6Bij de bestreden beschikking heeft verweerder het verzoek afgewezen. Daarin is – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:
“(…)
U bent met ingang van 16 juni 1980 in dienst getreden als arbeidscontractant bij de Dienst Openbare Werken Aruba (DOW). Vervolgens bent u met ingang van 1 december 1989 aangesteld als ambtenaar in vaste pensioengerechtigde dienst. De periode die u in vaste pensioengerechtigde dienst heeft doorgebracht, telt niet mee voor de beoordeling op een aanspraak op een uitkering bij wijze van pensioen. Derhalve heeft u gedurende deze periode een diensttijd van 9 jaar en 6 maanden (afgerond) bij de overheid volbracht.
(…)
De betrokken arbeidscontractanten maken aanspraak op uitkering bij wijze van pensioen in de volgende gevallen:
bij het verlaten van de dienst bij een leeftijd van tenminste 55 jaren, ingeval van een diensttijd van tenminste 20 jaren, waarvan tenminste 10 jaren in Arubaanse dienst zijn vervuld;
bij afkeuring voor de verdere dienst uit hoofde van ouderdom of van ziels- of lichaamsziekte of -gebreken, tenzij deze, ter beoordeling van de Gouverneur, de Raad van Advies gehoord, het gevolg zijn van eigen moedwillige handelingen;
na op grond van de opheffing van de door hen beklede betrekking of ten gevolge van een reorganisatie van de dienst in het genot van wachtgeld te zijn gesteld, bij het vervallen van het wachtgeld en een diensttijd van tenminste 20 jaren, met dien verstande nochtans dat van de gehele diensttijd alsdan een tijd van tenminste 10 jaren in Arubaanse dienst moet zijn doorgebracht;
bij ontslag al of niet op eigen verzoek voor het bereiken van de 55-jarige leeftijd na een voor pensioen geldige diensttijd van tenminste 10 jaren in actieve Arubaanse dienst en nadat een diensttijd van 20 jaren zou zijn vervuld of overschreden bij regelmatig doordienen;
bij ontslag wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd na een diensttijd van tenminste 10 jaren in actieve Arubaanse dienst.
U voldoet niet aan een van de hierboven vermelde punten en komt hierdoor niet in aanmerking komen voor een uitkering bij wijze van pensioen.
3. Klaagster stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft geweigerd haar een uitkering bij wijze van pensioen toe te kennen. Daartoe voert zij aan dat zij op 16 juni 1980 als arbeidscontractant in dienst is getreden bij de DOW en dat zij derhalve valt onder de categorie personen op wie de circulaire van 18 mei 1984 van het bestuurscollege van het Eilandgebied Aruba van toepassing is. Verweerder heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de omstandigheid dat aan haar in 1992 op eigen verzoek eervol ontslag is verleend. Volgens klaagster zou het, bezien in het licht van de groep die onder de zogenoemde ‘witte vlek’ ressorteert, van bijzondere hardheid getuigen haar geen uitkering bij wijze van pensioen toe te kennen. Voorts stelt klaagster dat haar diensttijd naar boven had moeten worden afgerond.
Gelet hierop concludeert klaagster dat de bestreden beschikking wegens strijd met het motiveringsbeginsel niet in stand kan blijven.