ECLI:NL:OGAACMB:2026:3

Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
AUA202502007
Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift tegen afwijzing waarnemingstoelage in ambtenarenrecht

Op 12 januari 2026 heeft het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba uitspraak gedaan in de zaak van klaagster, die bezwaar maakte tegen de afwijzing van haar verzoek om een waarnemingstoelage. Klaagster, werkzaam als coördinator onderafdeling Idioma bij het Departamento di Enseñansa Aruba, had verzocht om een waarnemingstoelage voor de periode van 9 mei 2011 tot en met 30 juni 2015. De voormalige minister van Onderwijs en Sport had dit verzoek afgewezen, met als argument dat de toekenning niet meer dan drie jaar terug mag werken vanaf de datum van registratie van het verzoek. Klaagster betwistte deze afwijzing en voerde aan dat haar verzoek al eerder was ingediend en dat de beleidsregel niet van toepassing was.

Het gerecht oordeelde dat klaagster inderdaad recht had op de waarnemingstoelage, omdat zij voldeed aan de voorwaarden voor toekenning. Echter, het gerecht constateerde ook dat klaagster na haar eerste verzoek in 2011 geen verdere stuitingshandelingen had verricht, waardoor haar vordering was verjaard. De uitspraak concludeerde dat de bestreden beschikking niet in stand kon blijven, maar dat de rechtsgevolgen van de beschikking moesten worden gehandhaafd, wat betekende dat de nietigheid van de beschikking voor gedekt werd verklaard. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van proceskosten aan klaagster.

Uitspraak

Uitspraak van 12 januari 2026
Gaza nr. AUA202502007

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK
op het bezwaar in de zin van de
Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

[Klaagster],

wonend in Aruba,
KLAAGSTER,
gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Croes,
gericht tegen:

de Minister belast met Onderwijszaken,

zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. T. Loopstok (DWJZ).

INLEIDING

1.1
Bij beschikking van 10 maart 2025 (de bestreden beschikking) heeft de voormalige minister van Onderwijs en Sport besloten het voorstel tot toekenning aan klaagster van een waarnemingstoelage voor de periode van 9 mei 2011 tot en met 30 juni 2015 af te wijzen.
1.2
In deze uitspraak beoordeelt het gerecht het bezwaar van klaagster gericht tegen deze beschikking, ingediend bij het gerecht op 4 juli 2025.
1.3
Verweerder heeft op 21 augustus 2025 de op de zaak betrekking hebbende stukken bij het gerecht ingediend en op 17 oktober 2025 een contramemorie.
1.4
Klaagster heeft op 13 oktober 2025 nadere stukken ingediend.
1.5
Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 20 oktober 2025, alwaar zijn verschenen klaagster, bijgestaan door mr. E. Duijneveld, optredende voor de gemachtigde voornoemd, en verweerder bij de gemachtigde voornoemd.
1.6
De uitspraak is hierna bepaald op vandaag.

BEOORDELING

Wat is relevant om te weten?

2.1
Klaagster is als ambtenaar werkzaam in de functie van coördinator onderafdeling Idioma bij het Departamento di Enseñansa Aruba (DEA). Zij bekleedt sinds 1 juli 2015 de rang van administrateur (schaal 13).
2.2
Klaagster heeft gedurende de periode van 9 mei 2011 tot en met 30 juni 2015 de functie van coördinator onderafdeling Idioma onafgebroken waargenomen. Bij brief van
3 november 2011 heeft klaagster verzocht om toekenning van een waarnemingstoelage. Bij brief van 14 juni 2018 heeft klaagster dit verzoek herhaald.
2.3
Bij brief van 19 april 2024 heeft de directeur DEA voorgesteld om aan klaagster over voornoemde waarnemingsperiode een waarnemingstoelage toe te kennen ter hoogte van het verschil tussen haar toenmalige bezoldiging (schaal 12) en schaal 13. Dit voorstel heeft de directeur DEA bij brief van 17 september 2024 herhaald.
2.4
Bij de bestreden beschikking is afwijzend beslist op de toekenning van de verzochte waarnemingstoelage, met als motivering dat de toekenning niet meer dan drie jaar mag terugwerken, gerekend vanaf de datum van de officiële registratie van het verzoek of voorstel.
2.5
Het bezwaar van klaagster richt zich hiertegen.
Waarom kan klaagster zich niet verenigen met de bestreden beschikking?
3. Klaagster kan zich niet verenigen met de afwijzing van haar verzoek om toekenning van een waarnemingstoelage. Zij voert daartoe – kort samengevat – aan dat verweerder heeft miskend dat zij reeds bij brief van 3 november 2011 een daartoe strekkende verzoek heeft ingediend en dat dit verzoek nadien meerdere malen is herhaald. Gelet hierop is naar haar mening de beleidsregel, inhoudende dat de toekenning van een waarnemingstoelage maximaal drie jaar terugwerkende kracht kan hebben, niet van toepassing, zodat de verzochte toelage aan haar had moeten worden toegekend. Klaagster heeft sinds 9 mei 2011 onafgebroken de taken van de toenmalige coördinator waargenomen en volledig uitgevoerd, waardoor zij recht heeft op de gevraagde waarnemingstoelage.
Wat is het standpunt van verweerder?
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat toekenning van een waarnemingstoelage geen automatisme is, maar een bevoegdheid van verweerder. Het voorstel van de directeur DEA is op 17 september 2024 officieel ingediend en geregistreerd. Volgens het in de rechtspraak aanvaarde beleid van de overheid kan een waarnemingstoelage maximaal drie jaar terugwerkende kracht hebben vanaf de datum van indiening of registratie van het verzoek (hierna: het beleid). Omdat het voorstel betrekking heeft op de periode van 2011 tot en met 2015, kan het verzoek op grond van dit beleid niet worden ingewilligd.
Ter zitting heeft verweerder hieraan toegevoegd dat het verzoek om toekenning van een waarnemingstoelage over de periode 2011 en 2012 inmiddels is verjaard, en verwijst hierbij naar artikel 118a van de Lma. De brief van klaagster van 14 juni 2018 kan dan hooguit werking hebben op de waarnemingstoelage over de periode van 2013 tot en met 2015, maar ook deze aanspraken zijn inmiddels in 2023 verjaard.
Wat staat in de wet?
5.1
Ingevolge artikel 26, eerste lid, Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (Lma) wordt, indien een wettelijke regeling continuïteit in de vervulling van een ambt veronderstelt en tot dat ambt niet meer ambtenaren zijn aangesteld, die het geheel of gedeeltelijk kunnen waarnemen, dan wel indien het belang van de dienst dit vordert, de daartoe in aanmerking komende ambtenaar door het bevoegde gezag met de tijdelijke waarneming van dat ambt belast, al dan niet met ontheffing uit zijn eigenlijke betrekking.
Ingevolge het tweede lid heeft de ambtenaar die overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid is belast met de tijdelijke waarneming van een ambt, dat in belangrijkheid en verantwoordelijkheid aanmerkelijk uitgaat boven het eigenlijke ambt van de ambtenaar, over de tijd der waarneming aanspraak op toekenning door de betrokken minister van een toelage boven zijn eigen bezoldiging, ten bedrage van het verschil tussen de bezoldiging, welke hij zou genieten, ware hij definitief benoemd in het ambt dat hij waarneemt, en zijn eigen bezoldiging, met inachtneming van de bepalingen betreffende persoonlijke toelage(n) indien de waarneming:
a. 30 dagen of langer onafgebroken heeft geduurd;
b. in een tijdvak van zes maanden in totaal gedurende 30 dagen of langer heeft geduurd;
c. in een tijdvak van twaalf maanden in totaal 60 dagen of langer heeft geduurd.
5.2
Artikel 118a van de Lma bepaalt dat, tenzij in bijzondere wetgeving anders is bepaald, verjaren rechtsvorderingen ter zake van bezoldiging, pensioenen en andere geldelijke aanspraken, verschuldigd krachtens een rechtsverhouding waarop dit hoofdstuk van toepassing of van overeenkomstige toepassing is, door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgend op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. De artikelen 316 tot en met 323 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek van Aruba zijn van toepassing.
Wat vindt het gerecht?
6.1
Ter beoordeling ligt voor de vraag of verweerder het verzoek om toekenning van een waarnemingstoelage in dit geval had mogen afwijzen. Bij de beoordeling neemt het gerecht het volgende in aanmerking.
6.2
Het gerecht stelt voorop dat indien wordt voldaan aan de eisen genoemd in het eerste lid van artikel 26 Lma, de aanspraak op waarnemingstoelage rechtstreeks uit de wet voortvloeit.
6.3
Niet in geschil is dat klaagster in de periode van 9 mei 2011 tot aan de datum van haar benoeming in de functie van coördinator van de onderafdeling Idioma per 1 juli 2015, de functie volledig, continu en zonder onderbreking heeft waargenomen. Voorts blijkt uit de overgelegde stukken dat klaagster bij brief van 3 november 2011, welke op 4 november 2011 officieel is geregistreerd bij het DEA, heeft verzocht om toekenning van een waarnemingstoelage. Nu klaagster voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van een waarnemingstoelage en het beleid – gelet op de hiervoor genoemde datum van officiële registratie – daarop niet van toepassing is, had verweerder in beginsel de verplichting een waarnemingstoelage toe te kennen. Dit betekent dat de bestreden beschikking niet wordt gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering, en om die reden niet in stand kan blijven.
6.4
Het gerecht ziet echter in het door verweerder gevoerde verjaringsverweer aanleiding te onderzoeken of de rechtsgevolgen van de bestreden beschikking in stand kunnen blijven. Klaagster heeft na haar eerste verzoek van 4 november 2011 pas op 14 juni 2018 opnieuw een verzoek ingediend. Hoewel de rappelbrief van 14 juni 2018 kan worden aangemerkt als een stuitingshandeling met betrekking tot (enkel) de waarnemingstoelagen over de periode van juni 2013 tot en met juni 2015 — nu de vorderingen over de periode van mei 2011 tot en met mei 2013 op dat moment reeds waren verjaard — zijn na deze brief gedurende een periode van meer dan vijf jaar geen verdere stuitingshandelingen verricht. Dit betekent dat laatstgenoemde vorderingen ten tijde van de brief van de directeur DEA van 19 april 2024 waren verjaard.
Het gerecht is gelet op het voorgaande dan ook van oordeel dat de vordering van klaagster tot uitbetaling van waarnemingstoelage over de gehele periode van waarneming is verjaard en derhalve niet langer in rechte kan worden afgedwongen.

CONCLUSIE

7. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de bestreden beschikking wegens strijdigheid met het motiveringsbeginsel niet in stand kan blijven. Het bezwaar zal daarom gegrond worden verklaard en de bestreden beschikking nietig. Gelet op het overwogene in 5.4, moeten de rechtsgevolgen van de bestreden beschikking in stand worden gelaten en moet dus met toepassing van artikel 87 van de Landsverordening ambtenrarenrechtspraak de nietigheid voor gedekt worden verklaard.
8. Verweerder dient op navolgende wijze in de kosten te worden veroordeeld.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:
- verklaart het bezwaar gegrond;
- verklaart de bestreden beschikking nietig;
- verklaart de nietigheid van de bestreden beschikking voor gedekt;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de door klaagster gemaakte proceskosten, die worden begroot op Afl. 700,- aan gemachtigdensalaris.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.J. Martijn, ambtenarenrechter, bijgestaan door
mr. drs. A.A. Wever, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 januari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend
binnen 30 dagen:
  • als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen 30 dagen na de dag van de uitspraak;
  • in de andere gevallen: binnen 30 dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
  • het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
  • een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
  • vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.