ECLI:NL:OGAACMB:2026:43

Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
SXM202501089-GAZ 19/2025
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 86 LmaArt. 87 LmaArt. 89 Lma
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging ontslagbesluit wegens ontbreken deugdelijke feitelijke grondslag in ambtenarenzaak

Klaagster, sinds 1997 ambtenaar bij de overheid van Sint Maarten, werd in augustus 2025 ontslagen wegens vermeend plichtsverzuim en fraude binnen het inkoopproces van de afdeling Facilitaire Zaken. Na een intern en forensisch onderzoek werden onregelmatigheden vastgesteld, maar het dossier bevatte geen duidelijke procedures of bevoegdheidsverdeling.

Klaagster betwistte de beschuldigingen en stelde dat zij handelde volgens instructies van haar leidinggevende en dat zij niet zelfstandig bevoegd was tot goedkeuringen. Het gerecht oordeelde dat de feitelijke grondslag voor het ontslagbesluit onvoldoende was, mede door het ontbreken van een definitief onderzoeksrapport en onvoldoende concrete aanwijzingen voor fraude of plichtsverzuim.

De verwijten aan klaagster, zoals het niet verifiëren van leveranciers, het niet vergelijken van offertes, het beïnvloeden van documenten en het tekenen voor niet-geleverde goederen, konden niet overtuigend worden vastgesteld. Het gerecht concludeerde dat verweerder onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat klaagster haar ambtelijke verplichtingen had geschonden.

Daarom werd het ontslagbesluit vernietigd en werd verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan klaagster. De rechtspositie van klaagster dient te worden hersteld, zonder dat het gerecht verweerder opdroeg de bezoldiging vanaf september 2025 uit te betalen.

Uitkomst: Het ontslagbesluit is vernietigd wegens het ontbreken van een deugdelijke feitelijke grondslag.

Uitspraak

Zaaknummer: SXM202501089-GAZ 19/2025
Datum: 6 juli 2026

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN SINT MAARTEN

UITSPRAAK
In het geding van:

[naam klaagster],

klaagster,
gemachtigde: mr. P.A.M. BRANDON,
tegen

DE GOUVERNEUR VAN SINT MAARTEN,

gezeteld te Sint Maarten,
verweerder,
gemachtigden: mrs. R.F. GIBSON jr. en I.Z. GUARDIOLA,

Procesverloop

Bij landsbesluit van 26 augustus 2025 met nummer LB-25/281 (hierna: het ontslagbesluit), door klaagster ontvangen op 8 september 2025, heeft verweerder klaagster de disciplinaire straf van ontslag opgelegd.
Tegen dit besluit heeft klaagster op 30 september 2025 ter griffie van het Gerecht een pro forma bezwaarschrift (met een productie) ingediend. Daarna zijn bij aanvullend bezwaarschrift (met producties) de gronden aangevuld.
Op 2 februari 2026 heeft verweerder een contra- memorie (met producties) ingediend.
Bij brief van 5 juni 2026 heeft klaagster aanvullende producties overgelegd.
Mondelinge behandeling van het bezwaarschrift heeft plaatsgevonden op 15 juni 2026. Klaagster is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en mr. C. Gibbes. Namens verweerder zijn verschenen [naam hoof fz], Hoofd facilitaire zaken, en [naam medewerker], medewerker personeelszaken, bijgestaan door mr. Guardiola voornoemd. Partijen hebben op schrift gestelde pleitaantekeningen voorgedragen en voorgelegd.
Uitspraak is bepaald op heden.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1.1.
Klaagster is sinds 1997 in dienst van de overheid van Sint Maarten en per 1 oktober 2015 aangesteld in de functie van Hoofdmedewerker Facilitaire Zaken bij de afdeling Facilitaire Zaken van het Ministerie van Algemene Zaken. Met ingang van 1 maart 2017 is klaagster uit die functie ontheven en aangesteld in de functie van Hoofdmedewerker Inkoop en Beheer bij dezelfde afdeling.
1.2.
Naar aanleiding van gesignaleerde onregelmatigheden op het gebied van budgetbeheer en inkoop is in juli 2024 een intern onderzoek ingesteld binnen de afdeling Facilitaire Zaken. Dit onderzoek had mede betrekking op de werkzaamheden van klaagster.
1.3.
Bij e-mailbericht van 22 juli 2024 is klaagster vrijgesteld van haar werkzaamheden en verzocht tijdelijk niet op het werk te verschijnen.
1.4.
In een e-mail van 11 augustus 2024 heeft het Hoofd Facilitaire Zaken verslag gedaan van de bevindingen van het interne onderzoek. Daarbij is vermeld dat binnen de afdeling gedurende langere tijd sprake zou zijn geweest van aanzienlijke budgetoverschrijdingen. Volgens de bevindingen zijn uit een interne financiële controle en een nadere beoordeling van facturen aanwijzingen naar voren gekomen van onregelmatigheden, waaronder aankopen zonder de vereiste goedkeuringen, het ontbreken van verificatie van geleverde goederen en betalingen van bedragen die aanzienlijk hoger zouden liggen dan gangbare marktprijzen voor vergelijkbare goederen. Tevens is melding gemaakt van bevindingen uit een onderzoek van de dienstlaptop van klaagster.
1.5.
Bij brief d.d. 22 augustus 2026 is klaagster de opdracht gegeven niet op het werk te verschijnen en is haar de toegang tot dienstlokalen ontzegd. Deze beslissing is bevestigd bij landsbesluit van 3 september 2024. Bij hetzelfde landsbesluit is klaagster tevens geschorst voor de duur van het onderzoek en de daarop volgende besluitvorming.
1.6.
Bij brief van 27 augustus 2024 heeft de Minister van Algemene Zaken verweerder geïnformeerd over de uitkomsten van het interne onderzoek en het voornemen geuit om klaagster disciplinair te ontslaan.
1.7.
Naar aanleiding van de bevindingen uit het interne onderzoek heeft de Minister van Algemene Zaken Forensic Caribbean (hierna: FC) opdracht gegeven nader onderzoek te verrichten naar mogelijke frauduleuze handelingen binnen de afdeling Facilitaire Zaken, Inkoop en Beheer en de betrokkenheid van medewerkers daarbij. Op 17 september 2024 is klaagster in dat kader gehoord. Van dit interview is een verslag opgemaakt.
1.8.
Bij brief van 1 oktober 2024 heeft verweerder klaagster in de gelegenheid gesteld om zich schriftelijk te verantwoorden met betrekking tot de haar verweten gedragingen.
1.9.
Op 21 oktober 2024 heeft FC een conceptrapport opgesteld. Dit conceptrapport is op 15 november 2024 aan klaagster toegezonden, waarbij zij in de gelegenheid is gesteld daarop binnen zeven dagen te reageren.
1.10.
Bij brief van 21 november 2024 heeft klaagster inhoudelijk op het conceptrapport gereageerd. Daarbij heeft zij tevens verzocht om verstrekking van aanvullende informatie en documentatie.
1.11.
Bij brief van 16 april 2025 heeft het Hoofd Personeelszaken op deze verzoeken gereageerd. Daarbij is geweigerd aanvullende documenten te verstrekken en is klaagster een nadere termijn gegund om een laatste reactie in te dienen.
1.12.
Bij brief van 23 april 2025 heeft klaagster een aanvullende reactie ingediend.
Het ontslagbesluit
2.1.
Bij het ontslagbesluit heeft verweerder aan klaagster de disciplinaire straf van ontslag opgelegd wegens plichtsverzuim.
2.2.
Aan het ontslagbesluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat uit onderzoek is gebleken dat het inkoop- en financiële proces binnen de afdeling Facilitaire Zaken gedurende meerdere jaren is gemanipuleerd. Volgens verweerder blijkt uit gegevens afkomstig van de dienstcomputer van klaagster dat zij misbruik heeft gemaakt van haar functie om de overheid te frauderen. Daarbij is vermeld dat de afdeling Facilitaire Zaken vanaf 2021 uitsluitend zaken heeft gedaan met bepaalde bedrijven, dat klaagster offertes van andere bedrijven heeft doorgestuurd naar die bedrijven, dat zij die bedrijven heeft geadviseerd welke bedrijfsnaam te gebruiken, dat zij goederen heeft ingekocht tegen prijzen die aanzienlijk hoger lagen dan de gebruikelijke marktprijs en dat zij telkens voor ontvangst van goederen heeft getekend terwijl die goederen volgens verweerder niet door de betrokken afdelingen zijn ontvangen.
2.3.
Verweerder heeft deze gedragingen aangemerkt als plichtsverzuim dat de disciplinaire straf van ontslag rechtvaardigt. Volgens verweerder is het vertrouwen in klaagster hierdoor ernstig geschaad. Daarnaast is in het ontslagbesluit vermeld dat klaagster geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om zich binnen de aan haar geboden aanvullende termijn, eindigend op 24 april 2025, tegenover verweerder te verantwoorden.
Het geschil
3.1.
Klaagster kan zich niet verenigen met de bestreden beschikking en verzoekt het Gerecht het ontslagbesluit nietig te verklaren, althans te vernietigen. Daarnaast verzoekt zij verweerder op te dragen haar bezoldiging vanaf september 2025 alsnog uit te betalen.
3.2.
Klaagster betwist dat sprake is van fraude, misbruik of plichtsverzuim. Zij voert aan dat binnen de afdeling geen duidelijke procedures, werkinstructies of bevoegdheidsverdeling bestonden en dat zij handelde overeenkomstig uitdrukkelijke instructies van haar leidinggevende. Volgens klaagster beschikte zij niet over de bevoegdheid om bestellingen of betalingen zelfstandig goed te keuren. Verder stelt zij dat het onderzoek en de besluitvorming onzorgvuldig zijn verlopen.
3.3.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit het interne onderzoek, het onderzoek van FC en de daarbij behorende documentatie voldoende blijkt dat klaagster haar verantwoordelijkheden binnen het inkoopproces heeft veronachtzaamd en zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Volgens verweerder ontslaat de omstandigheid dat binnen de organisatie mogelijk een bepaalde werkwijze of cultuur bestond klaagster niet van haar eigen verantwoordelijkheden zoals deze blijken uit de functiebeschrijving.
Verweerder verwijt klaagster concreet dat zij:
  • heeft nagelaten leveranciers adequaat te verifiëren;
  • heeft nagelaten offertes te vergelijken en marktconforme prijzen vast te stellen;
  • zich op onaanvaardbare wijze heeft bemoeid met de communicatie en documentatie van leveranciers; en
  • heeft ondertekend voor ontvangst van goederen waarvan de levering niet kon worden vastgesteld dan wel geheel is uitgebleven.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang voor de beoordeling van het geschil, nader ingegaan.
Het wettelijk kader
4.1.
Op grond van artikel 86, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege door het bevoegde gezag disciplinair worden gestraft.
4.2.
Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift omvat als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.
4.3.
Op grond van artikel 87, eerste lid, aanhef en onder i, van de Lma, is de disciplinaire straf, welke kan worden toegepast, die van ontslag.
4.4.
Op grond van artikel 89, eerste lid, van de Lma, wordt de straf niet opgelegd dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid is gesteld zich, ter keuze van de tot het opleggen van straffen bevoegden, mondeling of schriftelijk, binnen zeven dagen tegenover deze te verantwoorden. Bij zijn verantwoording mag de ambtenaar van de hulp van anderen gebruik maken.
Het beoordelingskader
5.1.
Bij de beoordeling stelt het Gerecht voorop dat het aan verweerder is om de feiten en omstandigheden die aan het ontslagbesluit wegens plichtsverzuim ten grondslag zijn gelegd, deugdelijk vast te stellen. Om plichtsverzuim te kunnen aannemen, moet op basis van de beschikbare gegevens de overtuiging zijn verkregen dat de betrokken ambtenaar zich aan de verweten gedragingen daadwerkelijk heeft schuldig gemaakt.
5.2.
Het Gerecht stelt vast dat uit de functiebeschrijving van klaagster volgt dat zij als Hoofdmedewerker Inkoop en Beheer binnen de afdeling Facilitaire Zaken een functie vervulde waaraan een aanzienlijke verantwoordelijkheid was verbonden. Tot haar taken behoorden onder meer het verrichten van marktverkenning en marktonderzoek, het aanvragen en beoordelen van offertes, het beoordelen van prijs, levertijd en kwaliteit, het onderhouden van contacten met leveranciers, het opstellen van aankoopadviezen en het in ontvangst nemen en controleren van bestellingen. Gelet hierop mocht van klaagster worden verwacht dat zij haar werkzaamheden zorgvuldig en professioneel uitvoerde en binnen het inkoopproces een signalerende rol vervulde.
5.3.
Daar staat tegenover dat uit het door verweerder aan het ontslagbesluit ten grondslag gelegde onderzoek van FC als algemene bevinding naar voren komt dat binnen de organisatie geen duidelijke procedures, werkinstructies en vastgelegde verantwoordelijkheidsverdeling bestonden met betrekking tot het inkoopproces. Volgens het onderzoeksrapport ontbraken procedures met betrekking tot het plaatsen van bestellingen en bestonden evenmin procedures ten aanzien van de selectie van leveranciers en de vraag met welke leveranciers zaken werd gedaan. Ook overigens blijkt uit het dossier niet van een uitgewerkte procedure of vastgesteld kader voor de beoordeling van offertes, de verificatie van leveranciers of de verdeling van bevoegdheden binnen het inkoopproces.
5.4.
Het ontbreken van een dergelijke procedure of kader betekent niet dat van klaagster geen eigen verantwoordelijkheid mocht worden verwacht. Het brengt echter wel mee dat zorgvuldig moet worden vastgesteld welke concrete gedragingen aan klaagster kunnen worden toegerekend en waarom deze gedragingen een schending vormen van de uit haar functie voortvloeiende verplichtingen.
De beoordeling van de procedurele bezwaren
6.1.
Klaagster heeft aangevoerd dat de voorbereiding van het ontslagbesluit onzorgvuldig is verlopen. Zij stelt in het bijzonder dat zij niet op de voorgeschreven wijze in de gelegenheid is gesteld zich te verantwoorden als bedoeld in artikel 89 van Pro de Lma.
6.2.
De bestreden beschikking vermeldt dat klaagster geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om zich te verantwoorden, terwijl klaagster heeft gesteld dat zij bij brief van 9 oktober 2024 een schriftelijke verantwoording heeft ingediend. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld deze brief niet te hebben ontvangen.
6.3.
Het Gerecht stelt vast dat uit het dossier blijkt dat klaagster in de gelegenheid is gesteld te reageren op het conceptrapport van FC en dat zij daarvan gebruik heeft gemaakt. Daarmee heeft zij haar visie op de bevindingen uit het onderzoek kenbaar kunnen maken. Het Gerecht stelt evenwel ook vast dat uit het dossier niet blijkt dat na het conceptrapport van FC een definitief onderzoeksrapport is opgesteld. Evenmin blijkt dat de door klaagster naar voren gebrachte bezwaren en opmerkingen naar aanleiding van het conceptrapport kenbaar bij de verdere besluitvorming zijn betrokken.
6.4.
Het ontbreken van een definitieve afronding van het onderzoek, waarbij de bezwaren en opmerkingen van klaagster kenbaar zijn betrokken, acht het Gerecht onzorgvuldig. Nu het conceptrapport van FC de feitelijke grondslag vormt voor het ontslagbesluit, is daardoor niet vast te stellen of de daarin opgenomen bevindingen, na kennisneming van de reactie van klaagster, onverkort zijn gehandhaafd. Daarmee blijft onduidelijk welke betekenis aan die bevindingen moet worden toegekend bij de beoordeling van de aan klaagster verweten gedragingen. Dit raakt rechtstreeks aan de zorgvuldigheid en deugdelijkheid van de feitelijke grondslag van het ontslagbesluit.
6.5.
Het Gerecht laat in het midden of de hiervoor genoemde procedurele gebreken reeds zelfstandig tot vernietiging van het ontslagbesluit moeten leiden. Daartoe is van belang dat dit besluit, zoals hierna zal worden overwogen, reeds wegens de hierna te bespreken inhoudelijke redenen geen stand kan houden.
De inhoudelijke beoordeling
7.1.
Voor zover verweerder aan het ontslagbesluit de kwalificaties fraude en misbruik ten grondslag heeft gelegd, overweegt het Gerecht dat deze kwalificaties onvoldoende steun vinden in de onderzoeksbevindingen en de overige overgelegde stukken. Daarbij betrekt het Gerecht dat verweerder in het ontslagbesluit uitdrukkelijk heeft gesteld dat klaagster misbruik heeft gemaakt van haar functie om de overheid te frauderen. Dergelijke verstrekkende beschuldigingen vereisen een deugdelijke feitelijke grondslag.
7.2.
Het Gerecht stelt vast dat de conclusie van het conceptrapport van FC op verschillende plaatsen is geformuleerd in termen als "mogelijk", "vermoedelijk", "lijkt erop te wijzen", "zou kunnen" en "versterkt de indruk". Daarmee worden aanwijzingen voor mogelijke fraude beschreven, maar worden geen concrete feiten vastgesteld waardoor aannemelijk wordt dat klaagster frauduleuze handelingen heeft gepleegd of misbruik heeft gemaakt van haar functie.
7.3.
Het enkele feit dat klaagster betrokken was bij een onduidelijk inkoopproces, contacten onderhield met leveranciers, documenten verwerkte of ondertekende, is daarvoor onvoldoende. Voor een conclusie dat sprake is van fraude of misbruik is vereist dat voldoende concreet wordt vastgesteld welke handelingen klaagster heeft verricht, welke wetenschap zij daarbij had en op welke wijze die handelingen hebben bijgedragen aan het plegen of faciliteren van frauduleuze activiteiten. Dergelijke feiten zijn uit het onderzoek en de overgelegde stukken niet althans onvoldoende naar voren gekomen.
7.4.
Het Gerecht ziet daarom onvoldoende feitelijke grondslag voor de kwalificaties fraude en misbruik. Voor zover het ontslagbesluit daarop berust, kan het reeds daarom geen stand houden.
7.5.
Met het voorgaande is evenwel nog niet gegeven dat van plichtsverzuim geen sprake kan zijn. Het Gerecht zal daarom beoordelen of de door verweerder aan klaagster verweten gedragingen afzonderlijk of in onderlinge samenhang voldoende zijn komen vast te staan en kunnen worden aangemerkt als plichtsverzuim.
8.1.
Ten aanzien van het eerste verwijt, dat klaagster heeft nagelaten leveranciers adequaat te verifiëren, overweegt het Gerecht dat uit de functiebeschrijving volgt dat klaagster binnen de inkoopfunctie verantwoordelijkheden had ten aanzien van leverancierscontacten, marktverkenning en de beoordeling van leveranciers. Daaruit volgt echter niet zonder meer welke concrete verificatiehandelingen van haar werden verlangd en op welk moment zij gehouden was leveranciers uit te sluiten van deelname aan het inkoopproces.
8.2.
Het Gerecht acht daarbij van belang dat uit het onderzoeksrapport juist naar voren komt dat binnen de organisatie geen duidelijke procedures of werkinstructies bestonden ten aanzien van de selectie en verificatie van leveranciers. Evenmin is uit het dossier voldoende duidelijk geworden hoe de bevoegdheden en verantwoordelijkheden binnen het inkoopproces waren verdeeld tussen klaagster en haar leidinggevende.
8.3.
Voorts is niet vastgesteld dat klaagster de betreffende leveranciers zelf heeft geselecteerd of dat zij zelfstandig beslissingsbevoegd was ten aanzien van de keuze van leveranciers. Klaagster heeft in dit verband aangevoerd dat de leveranciers reeds betrokken waren bij de afdeling voordat zij haar functie vervulde, dat zij handelde overeenkomstig instructies van haar leidinggevende en dat een aantal andere leveranciers wegens betalingsachterstanden niet langer bereid was zaken te doen met de overheid. Verweerder heeft deze stellingen niet, althans onvoldoende gemotiveerd, weersproken.
8.4.
Onder deze omstandigheden kan niet worden vastgesteld dat op klaagster een concrete verplichting rustte om de betreffende leveranciers nader te verifiëren, noch dat zij een dergelijke verplichting heeft geschonden. Het eerste verwijt is daarom onvoldoende komen vast te staan.
9.1.
Ten aanzien van het tweede verwijt, dat klaagster heeft nagelaten offertes te vergelijken en marktconforme prijzen vast te stellen, acht het Gerecht aannemelijk dat bij enkele transacties sprake was van aanzienlijke prijsverschillen ten opzichte van prijzen die gebruikelijk waren voor vergelijkbare goederen. Dit betekent echter niet zonder meer dat deze prijsstelling aan een verwijtbare handelwijze van klaagster kan worden toegeschreven.
9.2.
De overgelegde stukken bevatten weliswaar enkele facturen waaruit prijsverschillen kunnen worden afgeleid, maar bevatten geen offertes, prijsvergelijkingen of andere documenten waaruit blijkt welke vergelijkingsprocedure is gevolgd, welke alternatieven beschikbaar waren en welke rol klaagster daarbij heeft vervuld. Evenmin blijkt uit het dossier dat klaagster binnen het inkoopproces bevoegd was tot de uiteindelijke keuze van leveranciers en de goedkeuring van bestellingen.
9.3.
Daarbij neemt het Gerecht in aanmerking dat uit het onderzoek juist naar voren komt dat binnen de organisatie geen duidelijke procedures of werkinstructies bestonden voor de beoordeling van offertes en de vaststelling van marktconforme prijzen. Ook is onvoldoende duidelijk geworden hoe de verantwoordelijkheden en bevoegdheden binnen het inkoopproces waren verdeeld tussen klaagster en haar leidinggevende. Klaagster heeft steeds aangevoerd dat de uiteindelijke goedkeuring van offertes en bestellingen niet bij haar lag maar bij haar leidinggevende. Verweerder heeft deze stelling niet met concrete gegevens weerlegd.
9.4.
Onder deze omstandigheden kan uit de enkele omstandigheid dat in een aantal gevallen goederen tegen bovenmatige prijzen zijn aangeschaft niet worden afgeleid dat klaagster haar verplichtingen binnen het inkoopproces heeft verzaakt. Het tweede verwijt is daarom ook onvoldoende komen vast te staan.
10.1.
Ten aanzien van het derde verwijt, dat ziet op de communicatie en documentatie tussen klaagster en leveranciers, stelt het Gerecht vast dat uit de overgelegde stukken blijkt dat klaagster contact onderhield met een contactpersoon die betrokken was bij meerdere leveranciers, documenten heeft doorgestuurd en in één geval heeft verzocht bepaalde factuurgegevens aan te passen. Ook blijkt uit door verweerder overgelegde metadata dat klaagster bij enkele documenten als auteur of laatste bewerker staat vermeld.
10.2.
Deze omstandigheden roepen vragen op over de wijze waarop het inkoopproces binnen de afdeling was ingericht. De betekenis daarvan kan op basis van het dossier echter niet zonder meer worden vastgesteld. Het verzoek om factuurgegevens aan te passen, de vermelding van klaagster in metadata van documenten en het doorsturen van stukken kunnen verschillende verklaringen hebben, terwijl de context waarbinnen deze handelingen hebben plaatsgevonden ontbreekt.
10.3.
Verweerder heeft hieruit afgeleid dat klaagster documenten namens leveranciers heeft opgesteld, een onjuiste voorstelling van zaken heeft gecreëerd en invloed heeft uitgeoefend op de gunning van opdrachten. De overgelegde stukken bieden daarvoor echter onvoldoende grondslag. Uit de metadata kan niet worden afgeleid welke inhoudelijke bijdrage klaagster aan de betreffende documenten heeft geleverd of met welk doel dit is gebeurd. Evenmin volgt uit de overgelegde e-mailcorrespondentie dat zij daadwerkelijk invloed heeft uitgeoefend op de keuze van leveranciers of de gunning van opdrachten.
10.4.
Onder deze omstandigheden heeft verweerder onvoldoende aannemelijk gemaakt dat klaagster met deze handelingen een concrete op haar rustende ambtelijke verplichting heeft geschonden. Ook het derde verwijt is daarom onvoldoende komen vast te staan.
11.1.
Ook het vierde en laatste verwijt, dat klaagster heeft getekend voor ontvangst van goederen die niet zouden zijn geleverd, kan op basis van de voorliggende stukken niet worden vastgesteld. Uit het dossier blijkt wel dat klaagster diverse ontvangstbewijzen en afleverdocumenten heeft ondertekend, maar verweerder heeft geen concrete gegevens overgelegd waaruit volgt dat de betreffende goederen daadwerkelijk niet zijn geleverd. Evenmin is vastgesteld dat klaagster wist, dan wel behoorde te weten, dat de desbetreffende goederen niet waren ontvangen.
11.2.
Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat uit de ondertekening van ontvangststukken reeds een aanwijzing voor betrokkenheid bij onregelmatigheden volgt, kan het Gerecht hem daarin niet volgen. De enkele omstandigheid dat achteraf niet meer volledig kan worden geverifieerd of bepaalde goederen zijn geleverd, is onvoldoende om vast te stellen dat klaagster in strijd met haar ambtelijke verplichtingen heeft gehandeld. Ook dit verwijt is daarom onvoldoende komen vast te staan.
12.1.
Bij de beoordeling van het geheel van de verweten gedragingen acht het Gerecht verder van belang dat uit het onderzoek volstrekt niet duidelijk is geworden hoe de bevoegdheden en verantwoordelijkheden binnen het inkoopproces feitelijk waren verdeeld tussen klaagster en haar leidinggevende. Niet is vastgesteld wie leveranciers selecteerde, wie opdrachten verstrekte, wie de uiteindelijke beslissingen nam en in hoeverre klaagster bevoegd was zelfstandig keuzes te maken of tegen beslissingen bezwaar te maken. De stelling van klaagster dat zij handelde overeenkomstig instructies van haar leidinggevende is door verweerder onvoldoende onderzocht en weersproken. Daarbij betrekt het Gerecht dat klaagster verklaringen van collega's heeft overgelegd die steun bieden voor haar stelling dat de leidinggevende een actieve en bepalende rol vervulde binnen het inkoopproces en daarbij ook aan andere medewerkers concrete instructies gaf met betrekking tot bestellingen. Tegen die achtergrond kan niet zonder meer worden uitgegaan van de door verweerder veronderstelde zelfstandige verantwoordelijkheid en beslissingsruimte van klaagster binnen het inkoopproces.
12.2
Verweerder heeft onder verwijzing naar jurisprudentie betoogd dat een binnen een organisatie bestaande werkwijze of cultuur een ambtenaar niet ontslaat van zijn eigen verantwoordelijkheid en dat van een goed ambtenaar mag worden verwacht dat hij niet blindelings instructies opvolgt, maar bij twijfel of geconstateerde onregelmatigheden zijn bezwaren kenbaar maakt en zo nodig de kwestie escaleert. Het Gerecht onderschrijft dit uitgangspunt.
12.3.
Die jurisprudentie kan verweerder in dit geval echter niet baten. De eigen verantwoordelijkheid van een ambtenaar kan eerst worden beoordeeld indien voldoende duidelijk is welke concrete verplichtingen op hem of haar rustten en welke bevoegdheden en handelingsmogelijkheden daarbij hoorden. Juist daarover biedt het dossier onvoldoende duidelijkheid. Tegen de achtergrond van het ontbreken van duidelijke procedures, werkinstructies en een kenbare bevoegdheidsverdeling kan niet worden vastgesteld dat klaagster een op haar rustende verplichting heeft geschonden door instructies van haar leidinggevende op te volgen. Evenmin kan worden vastgesteld dat zij gehouden was anders te handelen dan zij heeft gedaan.
13.1.
Gelet op al het voorgaande is het Gerecht van oordeel dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat klaagster zich heeft schuldig gemaakt aan de aan haar verweten gedragingen. Voor zover uit het dossier aanwijzingen volgen voor onregelmatigheden binnen het inkoopproces, kunnen deze niet zonder meer aan klaagster worden toegerekend.
13.2.
De aan het ontslagbesluit ten grondslag gelegde verwijten zijn daarom onvoldoende komen vast te staan. Reeds hierom kan niet worden geoordeeld dat sprake is van plichtsverzuim als bedoeld in artikel 86 van Pro de Lma.
Conclusie
14.1.
De conclusie is dat het bezwaar van klaagster gegrond is. Het bestreden ontslagbesluit komt wegens een ondeugdelijke feitelijke grondslag voor vernietiging in aanmerking.
14.2.
Nu het ontslagbesluit wordt vernietigd, is het aan verweerder om de rechtspositionele gevolgen daarvan vast te stellen en de rechtspositie van klaagster te herstellen. Het Gerecht ziet daarom geen aanleiding verweerder afzonderlijk op te dragen de bezoldiging vanaf september 2025 uit te betalen.
14.3.
Het Gerecht ziet wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de door klaagster gemaakte proceskosten. Deze stelt het Gerecht naar analogie van het Besluit Proceskosten Bestuursrecht vast op Cg 1.400,- (1 punt voor het opstellen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt Cg 700,-).

Beslissing

Het Gerecht in ambtenarenzaken:
- verklaart het bezwaar gegrond;
- vernietigt het landsbesluit van 26 augustus 2025 met nummer LB-25/281;
- bepaalt dat verweerder aan klaagster een bedrag van Cg 1.400,- dient te betalen als vergoeding voor de door haar gemaakte proceskosten;
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Martinez-Hammer, rechter in het gerecht in ambtenarenzaken van Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 6 juli 2026.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
- het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
- een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
- vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.