ECLI:NL:OGAACMB:2026:5

Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
CUR2025H00228
Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van ambtenaar na weigering mee te werken aan herkeuring voor arbeids(on)geschiktheid

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van een ambtenaar die is ontslagen na niet mee te werken aan een herkeuring ter beoordeling van haar arbeids(on)geschiktheid. Appellante, die sinds 1982 in overheidsdienst werkte, was sinds 2015 arbeidsongeschikt verklaard. In 2022 werd zij uitgenodigd voor een controle door Arbo Consult, maar zij weigerde hieraan mee te werken. De regering heeft haar vervolgens met ingang van 1 oktober 2024 ontslagen, omdat zij ongeoorloofd afwezig was zonder geldige arbeidsongeschiktheidsverklaring. Het Gerecht in Ambtenarenzaken van Curaçao verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond, waarop zij hoger beroep aantekende.

De Raad voor de Rechtspraak heeft het hoger beroep behandeld en geconcludeerd dat het Gerecht terecht oordeelde dat het ontslag rechtmatig was. De Raad benadrukte dat appellante niet had gereageerd op uitnodigingen en geen geldige redenen had gegeven voor haar afwezigheid. De Raad verwierp ook de argumenten van appellante over de rechtsgeldigheid van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht en de procedurele aspecten van het ontslag. De Raad bevestigde de uitspraak van het Gerecht en oordeelde dat het gedrag van appellante een ontslag wegens functionele ongeschiktheid rechtvaardigde.

Uitspraak

Regeling Ambtenarenrechtspraak (RAr)

Uitspraakdatum: 28 januari 2026
Zaaknummer: CUR2025H00228

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN
VAN CURACAO

Uitspraak

op het hoger beroep van:

[appellante],

appellante (hierna: appellante),
procederend in persoon,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Curaçao (Gerecht), van
11 augustus 2025, zaaknummer CUR202404388 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en

de Regering van Curaçao,

geïntimeerde (hierna: de regering),
gemachtigde: mr. M.B.M. Vasquez, advocaat.

Procesverloop

Bij brief van 27 september 2024 heeft appellante bezwaar ingediend tegen het landsbesluit van 12 september 2024, op grond waarvan zij met ingang van 1 oktober 2024 is ontslagen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen de aangevallen uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld.
De regering heeft een contramemorie ingediend.
De Raad heeft het hoger beroep behandeld op de zitting van 15 januari 2026. Appellante is verschenen. De regering heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

Relevante feiten en omstandigheden
1.1.
Appellante heeft sinds 6 december 1982 in overheidsdienst gewerkt. In haar laatste functie voor het ontslag was ze aangesteld als Juridisch Medewerker-B bij de afdeling Wetgeving en Juridische Zaken van het ministerie van Algemene Zaken.
1.2.
Arbo Consult (Arbo) heeft appellante vanaf 10 augustus 2015 tot 10 augustus 2022 arbeidsongeschikt verklaard. Appellante verrichtte in die periode geen werkzaamheden.
1.3.
In 2020 en 2021, tijdens de coronapandemie, hoefde appellante niet fysiek bij Arbo te verschijnen voor medische controles, maar kreeg zij via e-mail een arbeidsongeschiktheidsverklaring. Op 10 augustus 2022 heeft Arbo aan appellante meegedeeld dat ze op 17 augustus 2022 moest verschijnen voor een controle, om te onderzoeken of ze medisch gezien al dan niet blijvend ongeschikt was voor de uitoefening van haar functie. Appellante heeft niet meegewerkt aan dit onderzoek. De controlerend arts heeft appellante gevraagd een inlichtingenformulier in te vullen. Dit heeft appellante geweigerd.
1.4.
De Secretaris-Generaal van het ministerie van Algemene Zaken heeft appellante uitgenodigd voor een gesprek op 14 december 2023 om haar arbeidssituatie te bespreken. Appellante heeft niet gereageerd op de uitnodiging en is niet verschenen.
1.5.
Bij brief van 15 juli 2024, door appellante ontvangen op 22 juli 2024, heeft de regering appellante in kennis gesteld van het voornemen om haar te ontslaan. Bij brief van 1 augustus 2024 heeft appellante gereageerd op het voornemen.
1.6.
De regering heeft in de reactie van appellante geen aanleiding gezien om terug te komen op het ontslagvoornemen en heeft haar met ingang van 1 oktober 2024 ontslagen. In het ontslagbesluit van 12 september 2024 heeft de regering toegelicht dat appellante niet is verschenen op haar werk, zonder dat zij een arbeidsongeschiktheidsverklaring van de Arbo kon overleggen. Volgens de regering is daarmee sprake van ongeoorloofd verzuim vanaf 11 augustus 2022 tot het moment van ontslag. Ook heeft de regering bij het ontslagbesluit betrokken dat appellante niet heeft gereageerd op de oproeping van de Secretaris-Generaal om haar situatie te bespreken.
Wat heeft het Gerecht geoordeeld?
2.1.
Het Gerecht heeft het bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe heeft het Gerecht, samengevat en voor zover van belang, het volgende overwogen. Vast staat dat appellante vanaf augustus 2022 geen arbeidsongeschiktheidsverklaringen heeft overgelegd en ook niet afwezig was met toestemming van de regering. Daarmee was appellante ongeoorloofd afwezig vanaf augustus 2022. Ze was immers verplicht om haar werkzaamheden te hervatten zodra zij niet meer arbeidsongeschikt was verklaard. In dat kader is verder van belang dat appellante de regering niet heeft geïnformeerd over eventuele bijzondere omstandigheden die kunnen maken dat zij haar werkzaamheden toch niet kon hervatten, noch heeft zij de regering om vrijstelling van dienst verzocht. Verder heeft appellante geen rechtvaardiging gegeven voor het niet meewerken aan de medische keuring door de Arbo-arts, die tot doel had vast te stellen of zij om medische redenen nog ongeschikt was voor de uitoefening van haar functie. Appellante is ook na augustus 2022 thuis gebleven, tot aan het ontslag. Appellante heeft niet gereageerd op de uitnodiging van de Secretaris-Generaal om te praten over haar situatie. In haar reactie op het daarop volgende ontslagvoornemen heeft appellante geen verantwoording afgelegd over haar ongeoorloofde afwezigheid. In plaats daarvan heeft ze verwijten geuit naar de regering en eiste ze dat de regering uitvoering geeft aan bepaalde rechtspositionele aanspraken die ze stelt te hebben, die los staan van haar afwezigheid. Op basis van al het voorgaande heeft het Gerecht geconcludeerd dat de regering zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante niet de houding, mentaliteit en instelling heeft die passend zijn voor een goed ambtenaar. De regering heeft appellante terecht en op juiste gronden ontslagen wegens functionele ongeschiktheid. Overigens rechtvaardigt het gedrag van appellante ook een ontslag wegens willekeurige verbreking van het dienstverband. Het was voor haar duidelijk, althans het had in ieder geval gelet op het ontslagvoornemen voor haar duidelijk moeten zijn, dat haar afwezigheid als ongeoorloofd werd gezien en tot ontslag zou leiden als ze het zou voortzetten.
Hoger beroep
3.1.
De Raad hecht er aan allereerst duidelijk te maken waar deze zaak wel en niet over gaat. De enige vraag die voorligt in deze procedure, is of het Gerecht in de uitspraak van 11 augustus 2025 terecht het ontslagbesluit van de regering rechtmatig heeft geacht. In deze hogerberoepsprocedure kunnen eerdere uitspraken van het Gerecht dus niet aan de orde worden gesteld. Ook de vraag of er aanleiding was of had moeten zijn om de rechtspositie van appellante op enig moment te wijzigen, is in deze procedure niet aan de orde. Evenmin is aan de orde de (omvang van) eventuele pensioenrechten van appellante.
3.2.
Appellante betoogt in hoger beroep dat de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (AB 2010, nr. 87) geen geldige grondslag vormt voor ontslag. Volgens appellante had de Afdeling Juridische Zaken deze landsverordening niet mogen opstellen, want zij kan alleen eilandsverordeningen opstellen en wijzigen. De oorspronkelijke Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (PB 1964, nr. 159) geldt daarom nog steeds en de verweten gedragingen vormen onder die verordening geen ontslaggrond. Zij betoogt dat het ontslag daarom niet rechtsgeldig is en dat het Gerecht dat niet heeft onderkend.
De Raad volgt appellante niet in dit betoog. Op grond van de Staatsregeling en het overgangsrecht, waaronder de artikelen 1 en 5 van de Landsverordening algemene overgangsregeling wetgeving en bestuur, hebben eilandsverordeningen van het eilandgebied Curaçao de staat van landsverordening van het land Curaçao gekregen en zijn deze ook na 10 oktober 2010 van kracht gebleven.
Landsverordeningen worden sinds 10 oktober 2010 vastgesteld door de regering en de Staten van het land Curaçao. Dit is vastgelegd in artikel 74 van de Staatsregeling van Curaçao. Dit geldt ook voor de LMA. Ook de door appellante geuite bezwaren tegen de staatsrechtelijke hervorming in 2010 en haar betwisting van de legitimiteit van de huidige regering, kunnen daaraan niet afdoen. Het betoog slaagt niet.
3.3.
Appellante betoogt verder onder verwijzing naar artikel 31, tweede lid, van de Regeling Vakantie en Vrijstelling van Dienst Ambtenaren (PB 1969, nr. 44) dat de regering haar niet heeft opgeroepen om haar werkzaamheden te hervatten voor de voltooiing van vier jaren en dat daarna een nieuwe periode van vier jaren is begonnen. Volgens appellante kan zij niet tussentijds worden opgeroepen.
In artikel 31 van de hiervoor genoemde Regeling is bepaald dat een vrijstelling van dienst wegens ziekte ten hoogte vier jaren kan duren. Hieruit volgt niet dat appellante slechts om de vier jaren kan worden opgeroepen om te beoordelen of zij geschikt is haar dienst te hervatten. Het betoog slaagt niet.
3.4.
Daarnaast betoogt appellante dat de laatste door haar ontvangen arbeidsongeschiktheidsbrief nog steeds van kracht is, omdat zij daarna geen nieuwe arbeidsongeschiktheidsbrief heeft gekregen. Omdat zij dus nog arbeidsongeschikt is, kan het niet hervatten van haar werk geen plichtsverzuim opleveren, aldus appellante.
Met dit betoog gaat appellante eraan voorbij dat zij niet is verschenen voor de herkeuring, zonder dat zij daarvoor een geldige reden heeft gegeven. Het uitblijven van een nieuwe arbeidsongeschiktheidsbrief leidt niet tot de conclusie dat de laatste arbeidsongeschiktheidsbrief van kracht blijft. Anders zou namelijk de situatie ontstaan dat een ambtenaar zelf kan bepalen of hij of zij arbeidsongeschikt blijft, alleen al door niet te verschijnen voor herkeuringen. Het betoog slaagt reeds daarom niet.
3.5.
Tot slot betoogt appellante dat het Gerecht niet duidelijk heeft gemaakt dat de procedure ging over het ontslagbesluit en dat tijdens de behandeling ter zitting niet over het ontslagbesluit is gesproken.
De Raad stelt vast dat dit betoog geen steun vindt in het proces-verbaal van de zitting van het Gerecht. Uit het proces-verbaal blijkt dat het Gerecht heeft uitgelegd dat appellante bezwaar heeft gemaakt tegen het ontslagbesluit bij de regering en dat de regering haar bezwaarschrift heeft doorgezonden naar het Gerecht ter behandeling. Verder staat in het proces-verbaal van de zitting dat de rechter heeft gezegd: ‘Ik wil het over uw ontslag hebben, want dat is waar deze procedure over gaat.’ Het betoog slaagt niet.
Conclusie
4.1.
De slotsom is dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen.
4.2.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De Raad
bevestigtde aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gewezen door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. J. Sybesma en mr. M.A. Evertsz, leden, en uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.