ECLI:NL:OGEAA:2015:196

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
18 augustus 2015
Publicatiedatum
21 augustus 2015
Zaaknummer
EJ. nr. 1300 van 2014
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechter verklaart zich onbevoegd inzake gezagskwestie minderjarige met verblijfplaats in Suriname

In deze zaak verzocht de vader, woonachtig in Aruba, het gerecht om een beslissing te nemen over kwesties betreffende het gezag en de hoofdverblijfplaats van zijn minderjarige kind, dat thans in Suriname verblijft. De moeder woont eveneens in Suriname. De procedure omvatte rapporten van de Voogdijraad en meerdere zittingen waarbij beide ouders en vertegenwoordigers van de Voogdijraad aanwezig waren.

Het gerecht heeft beoordeeld of het bevoegd is om over deze materie te oordelen. Gezien het feit dat de minderjarige zijn gewone verblijfplaats in Suriname heeft en Aruba partij is bij het Haagse Kinderbeschermingsverdrag 1961, is vastgesteld dat de Arubaanse rechter geen bevoegdheid heeft om te oordelen over gezagskwesties, hoofdverblijfplaats en omgang.

Op grond van deze internationale regeling en eerdere jurisprudentie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie is het verzoek van de vader afgewezen wegens onbevoegdheid. De beschikking is uitgesproken door rechter E.M.D. Angela op 18 augustus 2015.

Uitkomst: Het gerecht verklaart zich onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen wegens het verblijf van de minderjarige in Suriname.

Uitspraak

Beschikking van 18 augustus 2015
Zaaknummer EJ. nr. 1300 van 2014
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING
op het verzoek van
Vader,
wonende in Aruba,
VERZOEKER, hierna: de vader,
gemachtigde: de advocaat mr. D.L. Emerencia,
tegen:
Moeder,
voorheen te Aruba, thans te Suriname,
VERWEERSTER, hierna: de moeder,
gemachtigde: thans mr. N.S. Gravenstijn.
Belanghebbenden:
Minderjarige, hierna de minderjarige,
DE VOOGDIJRAAD.

1.DE PROCEDURE

De eerdere procedure blijkt uit de beschikking van dit gerecht van 16 september 2014. De verdere procedure blijkt uit:
- het rapport van de Voogdijraad, ingediend op 7 april 2015;
- de griffiersaantekeningen van de voortzetting van de behandeling van 26 mei 2015, waaruit blijkt dat zijn verschenen de vader bijgestaan door zijn gemachtigde en de moeder bij haar gemachtigde. Namens de Voogdijraad zijn aanwezig mevrouw S.M. Maduro, G. Hoogvliets en G.M. Maldonado;
- het aanvullend rapport van de Voogdijraad, ingediend op 23 juni 2015.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.DE VERDERE BEOORDELING

De minderjarige heeft thans zijn gewone verblijfplaats in Suriname. Gelet op het Haagse Kinderbeschermingsverdrag 1961, waarbij Aruba is aangesloten, bestaat in elk geval thans geen bevoegdheid van de Arubaanse rechter om te oordelen over kwesties van gezag, hoofdverblijfplaats en omgang (zie uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 20 mei 2014 in de zaak EJnr. 2519/2012 - H-369/13).

3.DE BESLISSING

Het gerecht:
verklaart zich onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M.D. Angela, rechter in dit gerecht, ter zitting van dinsdag 18 augustus 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.