ECLI:NL:OGEAA:2015:196
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechter verklaart zich onbevoegd inzake gezagskwestie minderjarige met verblijfplaats in Suriname
In deze zaak verzocht de vader, woonachtig in Aruba, het gerecht om een beslissing te nemen over kwesties betreffende het gezag en de hoofdverblijfplaats van zijn minderjarige kind, dat thans in Suriname verblijft. De moeder woont eveneens in Suriname. De procedure omvatte rapporten van de Voogdijraad en meerdere zittingen waarbij beide ouders en vertegenwoordigers van de Voogdijraad aanwezig waren.
Het gerecht heeft beoordeeld of het bevoegd is om over deze materie te oordelen. Gezien het feit dat de minderjarige zijn gewone verblijfplaats in Suriname heeft en Aruba partij is bij het Haagse Kinderbeschermingsverdrag 1961, is vastgesteld dat de Arubaanse rechter geen bevoegdheid heeft om te oordelen over gezagskwesties, hoofdverblijfplaats en omgang.
Op grond van deze internationale regeling en eerdere jurisprudentie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie is het verzoek van de vader afgewezen wegens onbevoegdheid. De beschikking is uitgesproken door rechter E.M.D. Angela op 18 augustus 2015.
Uitkomst: Het gerecht verklaart zich onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen wegens het verblijf van de minderjarige in Suriname.