ECLI:NL:OGEAA:2015:207
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.H.M. van de Leur
- Rechtspraak.nl
Redelijke uitleg minimumloon voor huishoudelijk personeel zonder kost en inwoning
X vordert betaling van loon en schadevergoeding wegens kennelijk onregelmatig ontslag en achterstallig loon van Y, haar voormalige werkgever. X was als huishoudster in dienst bij Y en stelt dat zij onterecht op staande voet is ontslagen en niet het juiste minimumloon heeft ontvangen.
Het Gerecht overweegt dat het minimumloon van Afl. 763,55 bruto maandelijks uit artikel 9 van Pro de Landsverordening minimumlonen alleen geldt voor huishoudelijk personeel dat kost en inwoning geniet. Voor huishoudelijk personeel zonder kost en inwoning geldt het hogere minimumloon van Afl. 1.636,70 bruto, gelijk aan het algemene minimumloon voor de Arubaanse beroepsbevolking.
De uitleg van Y dat ook personeel zonder kost en inwoning het lagere minimumloon zou moeten ontvangen, leidt tot ontoelaatbare discriminatie en is niet verenigbaar met de Staatsregeling van Aruba. Verder is niet gebleken dat de arbeidsproductiviteit van X een lager loon rechtvaardigt.
Ten aanzien van het ontslag op staande voet is nog onvoldoende bewijs geleverd, zodat de zaak wordt verwezen naar een nader zitting voor bewijslevering, waaronder het horen van getuigen. De vordering tot betaling van achterstallig loon wordt afgewezen omdat X feitelijk als inwonende dienstbode wordt beschouwd.
De beslissing wordt aangehouden voor verdere beoordeling na bewijslevering.
Uitkomst: De zaak wordt aangehouden voor bewijslevering omtrent ontslag op staande voet en de vordering tot achterstallig loon wordt afgewezen.