ECLI:NL:OGEAA:2015:23

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
12 mei 2015
Publicatiedatum
18 mei 2015
Zaaknummer
E.J. 19 van 2015
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7A:1613y lid 2 BWAArt. 7A:1615f BWAArt. 7A:1615i lid 2 sub b BWAArt. 7A:1615s BWA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling kennelijk onredelijke beëindiging arbeidsovereenkomst door het Land Aruba

Het geschil betreft de beëindiging van het dienstverband tussen A en het Land Aruba. Na een eerdere beschikking waarbij het dienstverband werd hersteld per 27 april 2014 en loon werd betaald, heeft het Land de arbeidsovereenkomst opgezegd met ingang van 30 november 2014. A vordert dat het ontslag wordt aangemerkt als kennelijk onredelijk, herstel van het dienstverband en betaling van salaris.

Het gerecht stelt vast dat de arbeidsovereenkomst niet van rechtswege was geëindigd en dat het Land slechts een maand opzegtermijn in acht heeft genomen, terwijl op grond van de toepasselijke bepalingen een termijn van twee maanden geldt. Het Land wordt daarom veroordeeld tot betaling van loon over een extra maand opzegtermijn.

De opzegging wordt echter niet als kennelijk onredelijk beoordeeld. Het Land heeft een redelijke reden gegeven, namelijk het terugdringen van personeelskosten, en heeft een opzegtermijn gehanteerd, zij het een onjuiste. Het belang van het Land weegt zwaarder dan het persoonlijke belang van A, mede omdat het Land het salaris heeft doorbetaald zonder dat A heeft gewerkt.

De wettelijke verhoging wordt gematigd tot 15% en de wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift. De proceskosten worden gecompenseerd tussen partijen.

Uitkomst: Het Land Aruba wordt veroordeeld tot betaling van loon over een extra maand opzegtermijn met wettelijke verhoging en rente, maar het ontslag is niet kennelijk onredelijk.

Uitspraak

Beschikking van 12 mei 2015
Behorend bij E.J. 19 van 2015
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING
in de zaak van:
A,
wonende te Aruba,
hierna ook te noemen: A,
gemachtigde: de advocaat mr. Hendrik S. Croes
tegen:
de openbare rechtspersoon Het Land Aruba,
hierna ook te noemen: Het Land,
gemachtigde: mevrouw mr. V.M. Emerencia.

1.HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het gerecht heeft kennis genomen van de volgende stukken:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift;
  • de brief van 1 april 2015 met 1 productie aan de zijde van A;
  • de aantekeningen van de mondelinge behandeling op 7 april 2015.
Beschikking is bepaald op heden.

2.DE FEITEN

2.1
Bij beschikking van 14 oktober 2014 heeft het gerecht in eerste aanleg van Aruba het dienstverband tussen partijen hersteld per 27 april 2014.
2.2
Het Land heeft berust in deze beschikking en aan A het loon met terug werkende kracht betaald.
2.3
Op 15 oktober 2014 heeft A getracht haar werkzaamheden te hervatten, doch zij kreeg het verzoek om nadere instructies af te wachten.
2.4
Bij brief van 28 oktober 2014 bericht Het Land A als volgt`;

In het kader van beheersing van de personeelskosten wordt de door het Land met u aangegane arbeidsovereenkomst beëindigd met ingang van 30 november 2014, rekening houdend met een opzegtermijn van een maand. Dit betekent dat uw laatste werkdag 30 november 2014 is.

3.HET VERZOEK EN HET VERWEER

3.1
A verzoekt, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, Het Land te veroordelen om voor recht te verklaren dat de beëindiging kennelijk onredelijk is, Het Land te bevelen het dienstverband te herstellen en A toe te laten tot haar werk, op straffe van een dwangsom, Het Land te veroordelen tot betaling van haar salaris vanaf 30 november 2014 vermeerderd met de wettelijke verhoging en rente en met veroordeling van Het Land in de proceskosten.
3.2
Het Land voert verweer dat bij de beoordeling aan de orde komt.

4.DE BEOORDELING

4.1
Wederom is de vraag aan de orde of de opzegging door Het Land per 1 december 2014 opnieuw kennelijk onredelijk is.
4.2
Zoals reeds overwogen in de beschikking van 14 oktober 2014 is in artikel 4 van Pro de arbeidsovereenkomst tussen partijen op grond van het bepaalde in artikel 7A:1613y lid 2 BWA de vijfde afdeling van boek 7A BWA van toepassing verklaard, uitgezonderd artikel 1615f BWA. Dit betekent dat tussen partijen nagenoeg alle voor opzegging geldende bepalingen van toepassing zijn, derhalve ook 1615i en1615s BWA.
4.3
Het Land gaat er ten onrechte vanuit dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op 22 maart 2013 van rechtswege is beëindigd, omdat artikel 7A:1615f BWA uitgesloten was en verlenging van de arbeidsovereenkomst niet aan de orde was. Anders dan Het Land stelt, is het gerecht niet van oordeel dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 27 april 2014
is verlengd, maar
stilzwijgend is voortgezet. Dit betreft niet een situatie als bedoeld in artikel 7A:1615f BWA. De overige bepalingen van de vijfde titel van boek 7A BWA zijn dan ook onverminderd van toepassing.
4.4
Dit heeft tot gevolg dat Het Land bevoegd was de arbeidsovereenkomst op te zeggen, zij het met in achtneming van een opzegtermijn. Op grond van artikel 7A:1615i lid 2 sub b BWA bedraagt deze, gelet op de duur van het dienstverband, twee maanden. Dit heeft tot gevolg dat Het Land de arbeidsovereenkomst met A eerst per 1 januari 2015 kon opzeggen. De opzegging is derhalve
onregelmatigomdat Het Land slechts een maand opzegtermijn in acht heeft genomen. Het Land wordt dan ook veroordeeld tot betaling van het loon over nog een maand opzegtermijn. Blijkens de overgelegde loonstrook (productie B bij het verzoekschrift) bedraagt het maandloon AWG 2.665,00 bruto, zodat dit bedrag wordt toegewezen.
4.5
Daarnaast rijst de vraag of de opzegging (wederom) kennelijk onredelijk is.
Deze vraag wordt ontkennend beantwoord. Anders dan op 27 april 2014 heeft Het Land de arbeidsovereenkomst thans opgezegd onder opgave van een reden, te weten de noodzaak om te bezuinigen op personeelskosten. Voorts heeft Het Land ook anders dan op 27 april 2014 thans wel een opzegtermijn acht genomen, zij het een onjuiste. Dat maakt het ontslag evenwel op zich zelf niet kennelijk onredelijk, slechts onregelmatig.
4.6
Resteert de vraag of het ontslag kennelijk onredelijk is op grond van het gevolgen criterium. Deze vraag wordt bevestigend beantwoord in het geval de gevolgen voor A te ernstig zijn in vergelijking met het belang van Het Land bij van de beëindiging. Het enkele feit dat A sinds april 2014 geen werk heeft gevonden is hiervoor onvoldoende. Daar komt bij dat het belang van Het Land om de overheidsfinanciën terug te dringen zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van A. In het licht hiervan alsmede het feit dat Het Land tevens over de periode 27 april 2014 tot 31 december 2014 het salaris heeft moeten betalen zonder dat A hiervoor werkzaamheden heeft verricht, acht het gerecht het ontslag niet kennelijk onredelijk op grond van het gevolgencriterium.
4.7
De gevorderde wettelijke verhoging wordt gematigd tot 15% omdat A had kunnen volstaan met aanspraak maken over het loon over een maand opzegtermijn en deze procedure mogelijk niet nodig zou zijn geweest. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 7 januari 2015 (datum indiening verzoekschrift) tot de dag der voldoening
4.8
Nu partijen over en weer in het gelijk worden gesteld, worden de proceskosten gecompenseerd.

5.DE BESLISSING

Het gerecht
5.1
veroordeelt Het Land te betalen aan A een bedrag gelijk aan het netto equivalent van AWG 2.665,00 bruto, te vermeerderen met 15% wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf 7 januari 2015 tot de dag der voldoening;
5.2
bepaalt dat elke partij de eigen kosten draagt;
5.3
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.4
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gewezen door mr. Y.M. Vanwersch en uitgesproken op de terechtzitting van 12 mei 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.