ECLI:NL:OGEAA:2016:105

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
27 januari 2016
Publicatiedatum
17 februari 2016
Zaaknummer
K.G. 2723 van 2015
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing omgangsregeling grootouders met kleinkind wegens conflict met ouders

De grootouders van een minderjarig kind hebben bij het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba een verzoek ingediend tot vaststelling van een omgangsregeling met hun kleinkind. De minderjarige was aanvankelijk bij de grootouders geplaatst onder toezicht, maar werd op last van de rechter teruggeplaatst bij de ouders. De grootouders stelden dat zij altijd een belangrijke rol in het leven van het kind hebben gehad en dat het besluit tot terugplaatsing onbegrijpelijk was.

De rechter oordeelde dat de grootouders ontvankelijk waren in hun verzoek omdat zij een nauwe persoonlijke betrekking met het kleinkind hadden, gelet op het feit dat het kind vanaf de geboorte tot de terugplaatsing feitelijk bij hen verbleef en door hen werd verzorgd. Vervolgens werd beoordeeld of een omgangsregeling in het belang van het kind was.

De gezinsvoogdes en de Voogdijraad stelden dat de grootouders het kind te veel beïnvloeden en dat de relatie tussen grootouders en ouders eerst gestabiliseerd moet worden voordat omgang kan plaatsvinden. Het gerecht vond dat een geforceerde omgangsregeling in de huidige conflictueuze situatie niet in het belang van het kind was, omdat het kind anders beklemd zou raken tussen de grootouders en ouders.

De rechter wees daarom het verzoek af en bepaalde dat elke partij haar eigen proceskosten draagt. Er werd benadrukt dat de gezinsvoogdes de omgang zal initiëren en begeleiden zodra de relatie tussen grootouders en ouders is hersteld.

Uitkomst: Verzoek grootouders om omgangsregeling met kleinkind wordt afgewezen wegens conflicten en belang van het kind.

Uitspraak

Vonnis in kort geding van 27 januari 2016
Behorend bij K.G. 2723 van 2015
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS IN KORT GEDING
in de zaak van:
GROOTOUDERS,
wonende te Aruba,
hierna ook te noemen: de grootouders,
gemachtigde: de advocaat mr. J.A.R. Bryson,
tegen:
NAAM, q.q. gezinsvoogdes, werkzaam bij Fundashon Guiami,
De directie Voogdijraad,
MOEDER,
VADER,
moeder respectievelijk vader van de minderjarige (Naam kind)
allen gevestigd cq wonende te Aruba,
de Fundashon Guiami en de Voogdrijraad procederend in de persoon van haar directeur,
de ouders bij gemachtigde: de advocaat mr. N. Gravenstijn.

1.DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties, ingediend op 27 november 2015;
- de brief van 9 december 2015 met aanvullende producties aan de zijde van de grootouders;
- de aantekeningen van de griffier ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 10 december 2015.
Aan partijen is meegedeeld dat vandaag vonnis zou worden gewezen.

2.DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1
Bij beschikking van 28 september 2015 is de minderjarige (kind) voorlopig onder toezicht gesteld, (naam) tot gezinsvoogdes benoemd en is (kind) tot aan de definitieve ondertoezichtstelling bij de grootouders geplaatst.
2.2
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het verzoek tot ondertoezichtstelling op 10 november 2015 is (kind) op last van de rechter terug geplaatst bij de ouders.

3.DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1
De grootouders vorderen bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad een omgangsregeling vast te stellen ten aanzien van de minderjarige (kind), in dier voege dat hen wordt toegestaan om op de volgende dagen en tijdstippen de minderjarige te zien:
Om de week op maandag en donderdag van 12.30 tot 17.30 uur en om de week op woensdag van 12.30 tot 17.30 en zaterdag van 12.00 tot 18.00 uur, kosten rechtens.
3.2
De grootouders stellen dat de minderjarige altijd door hen is verzorgd en opgevoed en dat het besluit van de rechter om het kind terug te plaatsen bij de ouders onbegrijpelijk is.
3.3
De ouders verweren zich tegen dit verzoek.

4.DE BEOORDELING

4.1
Aan de orde is de vraag of de grootouders recht hebben op omgang met het minderjarige kleinkind (kind).
4.2
Op grond van artikel 1:377a lid 2 van het Burgerlijk Wetboek stelt de rechter op verzoek van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind een omgangsregeling vast. De grootouders zijn slechts ontvankelijk in hun verzoek indien zij in hun verzoek voldoende concrete omstandigheden stellen waaruit voortvloeit dat de zij in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kleinkind staan, dat sprake is van een “gezinsleven” ofwel “family life” als bedoeld in artikel 8 Europees Pro Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM). Behalve het bestaan van een familierechtelijke verwantschap met het kleinkind dienen ook bijkomende omstandigheden naar voren te worden gebracht waaruit de nauwe persoonlijke betrekking tussen de grootouders en het kleinkind voortvloeit. Om van een nauwe persoonlijke band te kunnen spreken dienen meer dan gebruikelijke feitelijke contacten tussen grootouder en kleinkind te zijn. Sprake moet zijn van een bijzondere band tussen de grootouders en het kleinkind.
4.3
De grootouders hebben aangevoerd dat zij altijd een belangrijke en feitelijk essentiële rol speelden in het leven van het kleinkind. Omdat moeder bij hen op het erf woonden, verbleef het kleinkind veelvuldig bij hen. De grootouders geven aan dat de band met (kind) heel hecht was en dat de ouders een ongeregeld leven leidden, waardoor zij lange tijd de meest stabiele factor in het leven van het kleinkind waren. Sedert 10 november 2015 is het contact verbroken, omdat de rechter om onbegrijpelijke redenen het kind terug plaatste bij de ouders. Dit aldus de grootouders.
4.4
Nu vast staat dat het kind vanaf haar geboorte tot 10 november 2015 feitelijk bij de grootouders verbleef en met regelmaat door hen werd verzorgd en opgevoed is er sprake van een nauwe persoonlijke betrekking tot het kleinkind. De grootouders zijn dan ook ontvankelijk in hun verzoek. Dit heeft tot gevolg dat thans beoordeeld dient te worden of een omgangsregeling in het belang is van het kind. Hiertoe wordt als volgt overwogen.
4.5
Ter zitting verklaarde de gezinsvoogdes dat de grootouders het kleinkind te veel beïnvloeden. Het is de bedoeling dat er weer omgang komt tussen kleinkind en grootouders, maar hiervoor dient eerst de relatie tussen de ouders en de grootouders gestabiliseerd te worden. Zo ver is het nog niet en in dit stadium acht de gezinsvoogdes een omgangsregeling tussen grootouders en (kind) niet in het belang van het kind, vanwege de conflictueuze situatie tussen grootouders en moeder. Dit standpunt wordt onderschreven door de Voogdijraad.
4.6
Hoewel een goed contact tussen (kind) en de grootouders evident in het belang van het kind is, acht het gerecht een geforceerde omgangsregeling onder de huidige omstandigheden niet in het belang van het kind. Het kind loopt het risico - zolang de relatie tussen grootouders en ouders niet is hersteld - beklemd te raken tussen hen beiden. Het komt het gerecht geraden voor dat ouders en grootouders onder leiding van de gezinsvoogdes werken aan het herstel van hun relatie. Zodra de gezinsvoogdes van mening is dat een omgangsregeling tussen grootouders en kleinkind tot de mogelijkheden behoort, zal zij dit initiëren en begeleiden.
4.7
Uit het voorgaande volgt dat de vordering wordt afgewezen.
4.8
Gelet op de aard van het geding worden de proceskosten gecompenseerd.

5.DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:
5.1
wijst het gevorderde af;
5.2
bepaalt dat elke partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M. Vanwersch, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 27 januari 2016 in aanwezigheid van de griffier.