ECLI:NL:OGEAA:2016:331

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
17 mei 2016
Publicatiedatum
31 mei 2016
Zaaknummer
EJ. nr. 1517 van 2015
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:26 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot inschrijving buitenlands vonnis gezag minderjarige in Aruba

De vader van een minderjarige, geboren in Haïti, verzocht het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba om een verklaring ex artikel 1:26 BW Pro af te geven voor een Haïtiaanse uitspraak waarin hem de wettelijke voogdij over zijn kind werd toegekend. De minderjarige verbleef feitelijk in Aruba en de vader wilde erkenning van het buitenlandse vonnis om de verblijfsstatus van het kind te regelen.

Het verzoek werd beoordeeld aan de hand van artikel 1:26 BW Pro, dat bepaalt dat een buitenlandse uitspraak slechts kan worden ingeschreven indien deze naar zijn aard geschikt is voor opname in het register van de burgerlijke stand. Het gerecht oordeelde dat voogdij- of gezagsbesluiten niet in het register worden opgenomen, zodat het vonnis niet vatbaar is voor inschrijving.

Daarom werd het verzoek van de vader afgewezen. De beschikking werd op 17 mei 2016 in het openbaar uitgesproken door rechter Y.M. Vanwersch.

Uitkomst: Het verzoek tot inschrijving van het buitenlandse vonnis inzake gezag over de minderjarige in het register van de burgerlijke stand is afgewezen.

Uitspraak

Beschikking van 17 mei 2016
behorend bij EJ. nr. 1517 van 2015
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING
op het verzoek van
[verzoeker],
wonende in Aruba,
VERZOEK, hierna: de vader,
procederend in persoon.
Belanghebbende:
[de moeder],hierna de moeder,
[de minderjarige], hierna de minderjarige,
De ambtenaar van de burgerlijke stand,hierna: de abs,
in Aruba.

1.DE PROCEDURE

De procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, ingediend op 14 juli 2015,
- het advies van de ambtenaar, ingediend op 29 december 2015;
- de griffiersaantekeningen van de mondelinge behandeling van 5 april 2016, waaruit blijkt dat zijn verschenen de vader in persoon.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.DE FEITEN

2.1
Uit de moeder is op [geboortedatum] 2000 in Haïti geboren [de minderjarige] (hierna: de minderjarige).
2.2
De minderjarige verbleef van 19 mei 2012 tot 14 maart 2015 feitelijk in Aruba. De vader heeft ten behoeve van de minderjarige een verblijfsvergunning aangevraagd. Dit verzoek is afgewezen.
2.3
Bij uitspraak van het Gerecht in Eerste Aanleg van Port-au-Prince van 16 januari 2013, heeft de (Haïtiaanse) rechter in kort geding bepaald dat de wettelijke voogdij over de minderjarige aan de vader wordt toegekend.

3.HET VERZOEK

Het verzoek strekt - naar het gerecht begrijpt - tot afgifte van een verklaring als bedoeld in artikel 1:26 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) ter zake van voornoemde uitspraak van 16 januari 2013. Daartoe is gesteld dat het in het belang van de minderjarige is dat voornoemde beslissing in Aruba wordt erkend opdat zijn verblijfsstatus hier te lande geregeld kan worden.

4.DE BEOORDELING

4.1
Op grond van artikel 1:26 BW Pro kan het gerecht een verklaring voor recht afgeven dat een buiten Aruba gedane uitspraak overeenkomstig plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt of gedaan, en naar zijn aard vatbaar is voor opneming in een register van de burgerlijke stand.
4.2
De Haïtiaanse uitspraak van 16 januari 2013 is naar zijn aard niet vatbaar voor opneming in een register van de burgerlijke stand, aangezien de registers geen informatie omtrent voogdij c.q. gezag over minderjarigen bevatten. Het verzoek is daarom niet toewijsbaar.

5.DE BESLISSING

Het gerecht:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Y.M. Vanwersch, rechter in dit gerecht en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van dinsdag 17 mei 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.