ECLI:NL:OGEAA:2016:442

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
29 juni 2016
Publicatiedatum
18 juli 2016
Zaaknummer
A.R. 858 van 2014
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W.J. Noordhuizen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid en schadevergoeding na verkeersongeval onder invloed van alcohol en medicatie

In deze civiele procedure staat de aansprakelijkheid en schadevergoeding centraal na een verkeersongeval op 9 april 2013 waarbij G* betrokken was. Het gerecht stelt vast dat G* op het moment van het ongeval onder invloed was van alcohol en het medicijn Rivotril, en met een snelheid van 60 à 70 km/u een kruispunt naderde. G* heeft betwist het medicijngebruik op de dag voorafgaand aan het ongeval, maar het gerecht acht zijn verklaring onvoldoende onderbouwd en concludeert dat hij wel degelijk recent Rivotril heeft gebruikt.

Het gerecht weegt mee dat G* de instructies van zijn huisarts negeerde door alcohol te nuttigen terwijl dat verboden was tijdens medicijngebruik. Dit, gecombineerd met zijn snelheid en het rijden onder invloed, leidt tot de conclusie dat het causaal verband tussen zijn gedragingen en de schade is vastgesteld. Er is geen bewijs dat verkeersfouten van derden aan de eisers kunnen worden toegerekend.

De vorderingen van E* c.s. worden daarom toegewezen, waarbij G* en de verzekeraar New India hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de schadevergoeding. Proceskosten worden eveneens aan G* c.s. opgelegd. Een verklaring voor recht omtrent immateriële schade wordt voorlopig afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitkomst: G* en New India worden hoofdelijk veroordeeld tot schadevergoeding aan E* c.s. wegens een verkeersongeval onder invloed van alcohol en medicatie.

Uitspraak

Vonnis van 29 juni 2016
Behorend bij A.R. 858 van 2014
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
[naam A],
[naam B],
beiden voor zich en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van
[naam C],
te Canada,
hierna ook te noemen: E c.s., [naam A] en [naam C],
gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,
tegen:
[naam],
te Aruba,
hierna ook te noemen: G*,
gemachtigde: de advocaat mr. Chris Lejuez,
en de naamloze vennootschap
NEW INDIA ASSURANCE REPRESENTATIVE N.V.
te Aruba,
hierna ook te noemen: New India,
gemachtigde: de advocaat mr. E.J.M. Lotter Homan.
Tezamen ook te noemen: G* c.s.

1.DE VERDERE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 17 februari 2016;
- de akte zijdens G*;
- de akte zijdens New India;
- de antwoordakte zijdens E* c.s.
De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.

2.DE VERDERE BEOORDELING

2.1
Het gerecht heeft in het tussenvonnis aan partijen voorgelegd, dat G* ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol verkeerde en had verklaard Rivotril in vloeibare vorm te hebben gebruikt. Verder heeft G* 60 à 70 km/u richting een met stoplichten beveiligd kruispunt gereden en was, naar G* wist, ter plaatse sprake van in- en uitritten naar een hotel. Het gerecht heeft daarom aan partijen voorgehouden dat aanleiding zou kunnen bestaan om het causaal verband tussen bovengenoemde gedragingen van G* en de schade in beginsel aanwezig te achten en G* c.s. in de gelegenheid te stellen om te stellen en bewijzen dat de schade ook zonder die gedragingen zou zijn ontstaan.
2.2
G* heeft in dit verband gesteld dat hij niet de dag voorafgaande aan het ongeval rivotril had gebruikt maar twee dagen daarvoor (7 april) en dat het medicijn op de dag van het ongeval uitgewerkt was. Subsidiair voert hij aan dat ook bij gebruik op 8 april het medicijn op 9 april om ca. 22 uur uitgewerkt zou zijn.
2.3
Dat G* door de stress verkeerd heeft verklaard omtrent zijn medicijngebruik acht het gerecht onvoldoende toegelicht. Niet verklaard is waarom G*, die over zijn medicijngebruik niet onmiddellijk nadat het ongeval plaatsvond verklaarde maar op 10 april, op dat moment nog onder zodanige stress stond dat hij zich een dag vergiste. Daarbij komt betekenis toe aan de omstandigheid dat G* over zijn alcoholgebruik bij die gelegenheid, in het licht van het resultaat van het alcoholonderzoek, een aannemelijker verhaal vertelde dan hij aanvankelijk op 9 april 2013 (“ik heb twee flessen bier leeggedronken”) deed. Waarom G* over zijn medicijngebruik onder stress verkeerd zou verklaren maar over zijn alcoholgebruik juist, althans aannemelijker, is door G* c.s. niet verklaard. Daar komt verder bij dat G* heeft verklaard, dat hij met betrekking tot het medicijngebruik de instructies van zijn arts opvolgde. In de verklaring van de huisarts staat dat aan G* in 2012 en 2013 rivotril werd voorgeschreven in de dosering 2-5 druppels
een maal daagsvoor het slapen. Als G*, zoals hij verklaart, zich daaraan gehouden heeft, heeft hij daags voor het ongeval wel rivotril gebruikt. Niet onaannemelijk is dat hij dat minder dan 12 uur tevoren heeft gedaan.
2.4
Door G* c.s. is verder geen aanvullende informatie verstrekt omtrent de combinatie van het medicijngebruik met forse alcoholinname. Uitgaande van de instructie van de huisarts van G*: “2-5 druppels
een maal daagsvoor het slapen”, volgt uit diens, volgens G* nadere instructie: “op de dag van het gebruik geen alcohol”, dat G*, zoals ook volgt uit de door het gerecht aangehaalde patiëntenbijsluiter, gedurende de tijd dat hij dagelijks rivotril gebruikte geen alcohol mocht nuttigen. Dat heeft hij op de dag van het ongeval wel gedaan en wel meer dan 4x de wettelijk toegestane hoeveelheid.
2.5
Het gerecht komt op grond daarvan tot de conclusie dat het causaal verband tussen de gedragingen van G* en de door de aanrijding veroorzaakte schade is gegeven. G* c.s. hebben verder niet voldoende gemotiveerd weersproken dat de verkeersfouten van G*, te weten het in de avonduren ter plaatse met een snelheid van 60 tot 70 km/u deelnemen aan het verkeer onder invloed van alcohol en rivotril, mede causaal zijn geweest aan de veroorzaking van de schade. Gesteld noch gebleken is ten slotte dat verkeersfouten van [naam X] aan E* c.s. kunnen worden toegerekend. Naar Arubaans recht is G* daarmee hoofdelijk aansprakelijk voor de vermogensrechtelijke gevolgen van het ongeval. Met de onderlinge verhouding tussen [naam X] en G* c.s. hebben E* c.s. niet te maken.
2.6
De vorderingen komen voor toewijzing in aanmerking. Voor een verklaring voor recht dat immateriële schade moet worden vergoed is voorshands nog geen grond omdat niet duidelijk is of E* c.s. voor vergoeding in aanmerking komende immateriële schade hebben geleden.
2.7
Als de in het ongelijk te stellen partijen zullen G* c.s. tot vergoeding van de proceskosten, inclusief die van het incident, worden veroordeeld, hoofdelijk voor zover het het griffierecht en het gemachtigdensalaris betreft.

3.DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:
verklaart voor recht dat G* vanwege het veroorzaken van het verkeersongeval op 9 april 2013, een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens E* c.s. en de gevolgen daarvan geheel (mede) aan G* kunnen worden toegerekend;
veroordeelt G* aan E* c.s. schade te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 april 2013, nader op te maken bij staat;
veroordeelt New India tot hoofdelijke schadevergoeding tot het maximaal verzekerde bedrag;
veroordeelt G* c.s. in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van E* c.s. worden begroot op Afl. 450, aan griffierecht, Afl. 185, aan explootkosten voor G* en Afl. 185, aan explootkosten voor New India en Afl. 3.150, aan salaris van de gemachtigde (inclusief incident);
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af;
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Noordhuizen, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 29 juni 2016 in aanwezigheid van de griffier.