ECLI:NL:OGEAA:2016:455

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
28 juni 2016
Publicatiedatum
22 juli 2016
Zaaknummer
EJ nr. 33 van 2016
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N.K. Engelbrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BW ArubaArt. 1:26 BW ArubaArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot wijziging ouderlijk gezag over minderjarige

De vader heeft bij het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba een verzoek ingediend tot wijziging van het ouderlijk gezag over zijn minderjarige kind, geboren in 2006 in de Dominicaanse Republiek. Hij verzoekt om het gezag aan hem toe te wijzen of om gezamenlijk gezag met de moeder toe te kennen. De moeder is niet verschenen en heeft geen verweerschrift ingediend.

Uit een eerdere rechterlijke uitspraak van 15 juli 2013 in de Dominicaanse Republiek blijkt dat het gezag al aan de vader is toegekend en dat de minderjarige bij hem in Aruba woont. De vader kan daarom geen nieuw verzoek tot wijziging van het gezag indienen. Tevens is het verzoek tot inschrijving van deze buitenlandse gezagsbeslissing in het register van de burgerlijke stand niet mogelijk, omdat dergelijke registers geen informatie over gezag bevatten.

Het gerecht concludeert dat het verzoek van de vader kennelijk gebaseerd is op artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek van Aruba, dat de mogelijkheid biedt om het gezag aan de vader toe te wijzen als hij dit nog niet gezamenlijk met de moeder uitoefent. Gezien de eerdere uitspraak is het verzoek niet ontvankelijk en wordt het afgewezen. De beschikking is op 28 juni 2016 gewezen door rechter Engelbrecht.

Uitkomst: Het verzoek tot wijziging van het gezag over de minderjarige wordt afgewezen omdat de vader reeds met het gezag is belast.

Uitspraak

Beschikking van 28 juni 2016
Behorend bij EJ nr. 33 van 2016
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING
op het verzoek van
[de vader],
wonende in Aruba,
VERZOEKER, hierna de vader,
in persoon,
tegen
[de moeder],
wonende in de Dominicaanse Republiek,
VERWEERSTER, hierna de moeder,
niet verschenen.
Belanghebbende:
[de minderjarige], de minderjarige.

1.DE PROCEDURE

De procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift ingediend op 8 januari 2016,
- de griffiersaantekeningen van de mondelinge behandeling achter gesloten deuren op 10 mei 2016, waaruit blijkt dat alleen de man is verschenen. De moeder heeft geen verweerschrift ingediend en is, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.DE FEITEN

2.1
Uit de moeder is op [geboortedatum] 2006 in de Dominicaanse Republiek geboren [de minderjarige] (hierna: de minderjarige). De minderjarige is door de vader erkend.
2.2
Uit de door de vader overgelegde vertaalde stukken blijkt, dat bij uitspraak van 15 juli 2013 van de Civiele Kamer van het Gerecht voor Kinderen en Adolescenten van het Juridisch Arrondissement Santo Domingo in de Dominicaanse Republiek, de rechter onder meer de overeenkomst van 26 maart 2013 tussen partijen, aangegaan ten overstaan van de Officier van Justitie voor Kinderen en Adolescenten van de Provincie Santo Domingo, waarbij de moeder het gezag met betrekking tot de minderjarige overdraagt aan de vader opdat de minderjarige met hem in Aruba woonachtig zal zijn, officieel heeft goedgekeurd.

3.HET VERZOEK

Het verzoek strekt tot wijziging van het gezag, in die zin dat de vader met het gezag over de minderjarige wordt belast, dan wel om hem gezamenlijk met de moeder met het ouderlijk gezag over de minderjarige te belasten.

4.DE BEOORDELING

4.1
De vader heeft ter onderbouwing van zijn verzoek aangevoerd, dat hij geen (tweede) verblijfsvergunning voor de minderjarige, die vanaf 9 september 2013 alhier woont, kan regelen, omdat hij – volgens de Dimas – niet belast is met de uitoefening van het gezag over de minderjarige.
4.2
Het verzoek van de vader is kennelijk gebaseerd op artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (BW). Dit artikel biedt de tot het gezag bevoegde vader, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de mogelijkheid om het gerecht te verzoeken om hem in plaats van de moeder met het gezag over het kind te belasten. Uit de jurisprudentie (HR 27 mei 2005, NJ 2005, 485) volgt dat dit artikel in overeenstemming met artikel 6 lid 1 EVRM Pro aldus moet worden uitgelegd, dat de vader niet alleen om toekenning van eenhoofdig, maar ook van gezamenlijk gezag over het kind kan verzoeken.
4.3
De hierboven genoemde uitspraak van de Dominicaanse rechter behelst een rechterlijke beslissing omtrent het gezag over en de gewone verblijfplaats van de minderjarige. Uit de uitspraak blijkt dat de vader reeds met het gezag over de minderjarige is belast, en dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige bij hem zal zijn. Nu de vader reeds met de uitoefening van het gezag is belast, kan zijn verzoek niet worden ingewilligd.
4.4
Voor zover de vader heeft beoogd een verzoek te doen ex artikel 1:26 van Pro het BW, dient ook dit te worden afgewezen nu voornoemde Dominicaanse rechterlijke uitspraak naar zijn aard niet vatbaar is voor opneming in een register van de burgerlijke stand, aangezien die registers geen informatie omtrent gezag over minderjarigen bevatten.

5.DE BESLISSING

Het gerecht:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, ter zitting van 28 juni 2016 in aanwezigheid van de griffier.
Inhoudsindicatie: Civiel - EJ - gezag