ECLI:NL:OGEAA:2016:473

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
4 juli 2016
Publicatiedatum
25 juli 2016
Zaaknummer
LAR nr. 1534 van 2016
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 Lar
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening bij weigering verlenging tijdelijke verblijfsvergunning

Verzoeker, van Filipijnse nationaliteit en woonachtig in Aruba, had een aanvraag tot verlenging van zijn tijdelijke verblijfsvergunning ingediend die door de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie is afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze beschikking, waarna hij beroep instelde tegen het uitblijven van een beslissing op dat bezwaar. Vervolgens verzocht hij het gerecht om een voorlopige voorziening.

Het gerecht oordeelde dat hoewel de minister inmiddels schriftelijk had bevestigd dat verzoeker de beslissing op zijn bezwaar kon afwachten en zijn werkzaamheden mocht voortzetten, er toch sprake was van een spoedeisend belang. Dit omdat verzoeker tijdens een recente arbeidscontrole te horen had gekregen dat hij niet mocht werken. De minister had geen bezwaar tegen het treffen van de voorlopige voorziening.

Daarom bepaalde het gerecht dat verzoeker gedurende de bezwaarprocedure wordt behandeld alsof hij in het bezit is van een geldige vergunning tot tijdelijk verblijf om in loondienst te werken bij zijn werkgever. Tevens werd het door verzoeker betaalde griffierecht terugbetaald. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken omdat daarvoor geen wettelijke grondslag bestaat in deze procedure.

Uitkomst: Verzoeker wordt gedurende de bezwaarprocedure behandeld alsof hij een geldige tijdelijke verblijfsvergunning bezit.

Uitspraak

Uitspraak van 4 juli 2016
LAR nr. 1534 van 2016
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het verzoek in de zin van artikel 54 van Pro de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
[naam],
van Filipijnse nationaliteit,
wonende in Aruba,
VERZOEKER,
gemachtigde: mr. R.E.B. Gibbs,
gericht tegen:
de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie,
zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigden: mr. N.R. Sneek en dhr. Odor (DIMAS)

1.PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 12 februari 2016 heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag van verzoeker om een (nieuwe) vergunning tot tijdelijk verblijf.
Hiertegen heeft verzoeker bezwaar gemaakt.
Op 14 juni 2016 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar.
Op 28 juni 2016 heeft hij zich tot het gerecht gewend met het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
De zaak is op 4 juli 2016 behandeld ter zitting, waar verzoeker is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.
Uitspraak is terstond gedaan.

2.OVERWEGINGEN

2.1
Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Lar, kan, indien krachtens deze landsverordening een bezwaar- of beroepschrift aanhangig is, de indiener daarvan aan het gerecht verzoeken om de bestreden beschikking onderscheidenlijk de beslissing op het bezwaarschrift te schorsen op grond, dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang.
Ingevolge het tweede lid van genoemd artikel kan ter voorkoming van nadeel als bedoeld in het eerste lid, op het verzoek van genoemde indiener ook een voorlopige voorziening worden getroffen.
2.2
Met zijn verzoek beoogt verzoeker te bewerkstelligen dat hij hangende de bodemprocedure wordt behandeld als ware hij in het bezit van de door hem gevraagde vergunning.
2.3
Ter zitting is gebleken dat verweerder inmiddels schriftelijk aan verzoeker heeft laten weten dat hij de beslissing op zijn bezwaarschrift hier te lande mag afwachten. Ter zitting heeft verweerder tevens te kennen gegeven dat het verzoeker gedurende die periode ook is toegestaan zijn werkzaamheden voor zijn werkgever voort te zetten. Gelet hierop bestaat er in beginsel geen spoedeisend belang meer bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Verzoeker heeft evenwel onbetwist gesteld dat hem niettegenstaande het vorenstaande bij een recente arbeidscontrole door de autoriteiten te kennen is gegeven dat hij niet mag werken. Gelet hierop, alsmede op de mededeling ter zitting van verweerder dat hij geen bezwaar heeft tegen het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, ziet het gerecht aanleiding het verzoek toe te wijzen.
2.4
Voor een proceskostenveroordeling bestaat in een procedure als de onderhavige geen wettelijke grondslag.
2.5
Beslist wordt als volgt.

3.BESLISSING

De rechter in dit gerecht:
 bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker, [naam], voor de toepassing van de Landsverordening toelating, uitzetting en verwijdering wordt behandeld als ware hij in het bezit van een geldige vergunning tot tijdelijk verblijf om in loondienst werkzaam te zijn bij [naam] Restaurant, totdat is beslist op het tegen de beschikking van verweerder van 12 februari 2016 ingediende bezwaarschrift;
 gelast dat het door verzoeker gestorte griffierecht ten bedrage van Afl. 25,-- aan hem wordt teruggestort.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in dit gerecht, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maand, 4 juli 2016, in aanwezigheid van de griffier.