ECLI:NL:OGEAA:2016:649

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
14 september 2016
Publicatiedatum
3 oktober 2016
Zaaknummer
A.R. 876 van 2004
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling aansprakelijkheid en schadevergoeding bij verkeersongeval met eigen schuld

In deze civiele procedure stond de omvang van de schadevergoedingsplicht centraal na een verkeersongeval waarbij beide partijen fouten maakten. Het gerecht kwam terug op eerdere bewijsopdrachten omtrent alcoholgebruik en het rijden zonder rijbewijs door eiser, waardoor deze bewijsopdrachten vervielen. De resterende bewijsopdrachten betroffen de snelheid van eiser en het niet-dragen van een valhelm.

De gedaagden konden niet overtuigend aantonen dat eiser harder dan toegestaan reed, ondanks het horen van getuigen en eiser zelf. Het gerecht concludeerde dat het bewijs onvoldoende was om de stelling van te hard rijden te bevestigen. Wel werd aangenomen dat eiser geen helm droeg ten tijde van het ongeval, wat leidt tot een percentage eigen schuld bij de schadevergoedingsplicht.

Hoewel gedaagden aansprakelijk zijn voor de schade, werd rekening gehouden met eigen schuld van eiser. Eiser had geen aanvullende schadeposten onderbouwd, waardoor het gerecht aannam dat de reeds vergoede schade de volledige schade dekt. De vordering werd daarom afgewezen en de proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De vordering wordt afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitspraak

Vonnis van 14 september 2016
Behorend bij A.R. 876 van 2004
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
[eiser],
wonende te Aruba,
EISER,
gemachtigde mr. E. Duijneveld,
tegen:
de naamloze vennootschap
FATUM DE NEDERLANDEN VAN 1845 SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd en kantoor houdende te Aruba,
en
[gedaagde2],
wonende te Aruba,
GEDAAGDEN,
gemachtigde: advocaat mr. R.E. Offringa.

1.DE VERDERE PROCEDURE

Voor het eerdere verloop van deze procedure wordt verwezen naar het tussenvonnis d.d. 11 februari 2015. De daarin gelaste comparitie van partijen heeft (na aanhouding vanwege een door gedaagden ingediend, doch door het hof afgewezen, verzoek tot tussentijds appel) plaatsgevonden op 19 oktober 2015. Eiser is – hoewel correct opgeroepen - niet verschenen, noch iemand namens hem. Vervolgens is de zaak verwezen naar de rol voor vonnis. De uitspraak is op verzoek van partijen enkele keren aangehouden wegens schikkingsonderhandelingen. Bij faxberichten van 7 juni 2016 hebben partijen laten weten dat er geen schikking is bereikt. Partijen hebben om vonnis gevraagd.
De rechter die voormeld tussenvonnis wees, is inmiddels niet meer werkzaam bij dit gerecht. De comparitie van partijen d.d. 19 oktober 2015 heeft plaatsgevonden ten overstaan van ondergetekende rechter.

2.DE VERDERE BEOORDELING

2.1
De rechter die dit vonnis wijst, verenigt zich met de overwegingen in het tussenvonnis van 11 februari 2015, waarin het gerecht terug kwam op de eerder gegeven bewijsopdrachten wat betreft het vermeende alcoholgebruik door [eiser] en diens rijden zonder rijbewijs. De desbetreffende bewijsopdrachten zijn daarmee van de baan.
Thans resteert de beoordeling van de twee overige bewijsopdrachten.
2.2
Gedaagden zijn bij tussenvonnis van 22 april 2009 toegelaten tot het bewijs dat [eiser] harder dan de toegestane snelheid heeft gereden. Zij hebben daartoe getuigen gehoord. De getuigen [getuige1] en [getuige2] hebben, zoals gedaagden aangeven, geen nieuwe gezichtspunten opgeleverd. Ook hebben gedaagden [eiser] als getuige doen horen. Diens verklaring dat hij niet harder reed dan 55 km per uur achten zij gezien de omstandigheden onwaarschijnlijk. [eiser] reed op een motorfiets (volgens gedaagden een ‘racemonster’) over een asfaltweg. Gedaagden vermoeden dat hij – bij gebreke van een andere aannemelijke verklaring – juist die weg koos om even ‘het gas vol open te draaien’. Het is volgens hen bovendien vreemd dat hij met 55 km/u afslaand verkeer niet kan ontwijken.
Wat van die omstandigheden zij, het gerecht kan in deze verklaringen geen positieve bevestiging zien van de stelling dat [eiser] te hard heeft gereden en concludeert dat gedaagden niet zijn geslaagd in het opgedragen bewijs.
2.3 [
eiser] is bij tussenvonnis van 22 april 2009 toegelaten tegenbewijs te leveren van het voorshands aangenomen bewijs dat de schade is ontstaan of vergroot door het niet-dragen van een valhelm. In het tussenvonnis van 30 mei 2012 is reeds overwogen dat hetgeen eiser heeft aangevoerd, geen aanleiding is terug te komen op hetgeen in het vonnis van 22 april 2009 werd overwogen. Het gerecht blijft bij dat oordeel. Dat betekent dat wordt aangenomen dat eiser ten tijde van het ongeval geen helm droeg en dat voor de schadevergoedingsplicht een percentage eigen schuld aan zijn zijde dient te worden bepaald. Gedaagden hebben zich wat betreft het percentage gerefereerd aan het oordeel van het gerecht. Eiser heeft aangevoerd dat dit 25% niet te boven mag gaan.
2.4
Uit het voorgaande blijkt dat gedaagden aansprakelijk zijn voor de door [eiser] geleden schade, zij het dat er voor de bepaling van de omvang van de schadevergoedingsplicht rekening moet worden gehouden met een zeker percentage eigen schuld zijdens [eiser]. Fatum heeft reeds voldaan de schade aan de motorfiets en aan [eiser]’s gebit. Bij tussenvonnis d.d. 24 januari 2007 heeft het gerecht overwogen, hoewel vaststelling van de schade bij schadestaat was verzocht, de hoogte van de schade in deze procedure te betrekken. In het tussenvonnis van 11 februari 2015 werd [eiser] verzocht om vóór de comparitie van partijen bij akte een overzicht te verstrekken van de door hem geleden schade, onderbouwd met bewijsstukken. Zijdens [eiser] is geen akte genomen en zijn geen stukken toegestuurd of overgelegd ten behoeve van de comparitie van partijen en evenmin is hij of iemand namens hem ter comparitie verschenen. Nu het ongeval inmiddels 16 jaar geleden heeft plaatsgevonden en zowel de vermogensschade als de letselschade van [eiser] inmiddels wel moeten zijn komen vast te staan, verbindt het gerecht daaraan de gevolgtrekking dat [eiser] geen andere schade heeft geleden dan voormelde posten die reeds werden vergoed. Bij veroordeling tot betaling van die posten heeft eiser geen belang meer.
2.5
Nu partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd en wel zo dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:
Wijst de vordering af.
Compenseert de proceskosten en wel zo dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.H. Lemaire, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 14 september 2016 in aanwezigheid van de griffier.