ECLI:NL:OGEAA:2016:763
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Rechterlijke onbevoegdheid bij verzoek omgangsregeling wegens verblijfplaats minderjarige buiten Aruba
In deze zaak verzoekt de vader, woonachtig in Aruba, een omgangsregeling met zijn minderjarige kind, dat samen met de moeder in Zwitserland woont. Het gerecht in eerste aanleg van Aruba beoordeelt de rechtsmacht op grond van artikel 429ba van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van Aruba en het Haags Kinderbeschermingsverdrag.
Het gerecht stelt vast dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige buiten Aruba ligt, namelijk in Zwitserland, en dat dit het zwaarst weegt bij de beoordeling van rechtsmacht. De Nederlandse nationaliteit van de vader en zijn verblijfplaats in Aruba bieden geen voldoende aanknopingspunten voor de Arubaanse rechter om rechtsmacht uit te oefenen.
Het belang van het kind wordt als leidend beschouwd, waarbij het gerecht oordeelt dat de bevoegdheid om over de omgangsregeling te beslissen moet meeverhuizen naar de bevoegde rechter in Zwitserland. Daarom verklaart het gerecht zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek en draagt ieder der partijen de eigen kosten.
Uitkomst: Het gerecht verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek tot omgangsregeling wegens verblijfplaats van de minderjarige buiten Aruba.