ECLI:NL:OGEAA:2016:763

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
1 november 2016
Publicatiedatum
29 november 2016
Zaaknummer
EJ nr. 2648 van 2015
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 429ba Rv ArubaHaags Kinderbeschermingsverdrag 1961Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechterlijke onbevoegdheid bij verzoek omgangsregeling wegens verblijfplaats minderjarige buiten Aruba

In deze zaak verzoekt de vader, woonachtig in Aruba, een omgangsregeling met zijn minderjarige kind, dat samen met de moeder in Zwitserland woont. Het gerecht in eerste aanleg van Aruba beoordeelt de rechtsmacht op grond van artikel 429ba van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van Aruba en het Haags Kinderbeschermingsverdrag.

Het gerecht stelt vast dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige buiten Aruba ligt, namelijk in Zwitserland, en dat dit het zwaarst weegt bij de beoordeling van rechtsmacht. De Nederlandse nationaliteit van de vader en zijn verblijfplaats in Aruba bieden geen voldoende aanknopingspunten voor de Arubaanse rechter om rechtsmacht uit te oefenen.

Het belang van het kind wordt als leidend beschouwd, waarbij het gerecht oordeelt dat de bevoegdheid om over de omgangsregeling te beslissen moet meeverhuizen naar de bevoegde rechter in Zwitserland. Daarom verklaart het gerecht zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek en draagt ieder der partijen de eigen kosten.

Uitkomst: Het gerecht verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek tot omgangsregeling wegens verblijfplaats van de minderjarige buiten Aruba.

Uitspraak

Beschikking van 1 november 2016
behorend bij EJ nr. 2648 van 2015
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING
op het verzoek van:
[de vader],
VERZOEKSER, hierna te noemen: de vader,
wonende in Aruba,
gemachtigde: de advocaat mr. E.E. Rosenstand,
tegen
[de moeder],
VERWEERSTER, hierna te noemen: de moeder,
wonende in Zwitserland,
gemachtigde: de advocaat mr. M.A. Ellis-Schipper.
Belanghebbenden:
[de minderjarige], de minderjarige,
DE VOOGDIJRAAD.

1.DE PROCEDURE

Het eerdere verloop van de procedure blijkt uit de beschikking van dit gerecht van 9 februari 2016. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het rapport van de Voogdijraad, ingediend op 28 juni 2016,
- de griffiersaantekeningen van de voortzetting behandeling van 20 september 2016, waaruit blijkt dat zijn verschenen partijen bij hun gemachtigden voornoemd en de Voogdijraad bij mevrouw A. Flanders en mevrouw G. Hoogvliets.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.DE VERDERE BEOORDELING

2.1
Art. 429ba Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van Aruba (Rv) bepaalt in dat verband dat aan de rechter geen rechtsmacht toekomt, indien het verzoek onvoldoende aanknoping met de rechtssfeer van Aruba heeft. Van de relevante aanknopingspunten in zaken betreffende het gezag over minderjarigen moet het zwaarste - en doorgaans doorslaggevend - gewicht worden toegekend aan de gewone verblijfplaats van de minderjarigen, zijnde het uitgangspunt in het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 (en ook in de opvolger daarvan, het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996).
2.2
De minderjarige en de moeder wonen inmiddels in Zwitserland. Ligt de gewone verblijfplaats van het kind, zoals in casu, buiten Aruba, dan komt de Arubaanse rechter geen rechtsmacht toe. Uitzonderingssituaties zijn in zeer bijzondere omstandigheden denkbaar, maar het bestaan van dergelijke omstandigheden is hier niet gebleken.
De Nederlandse nationaliteit van de vader creëert geen aanknoping met de Arubaanse rechtssfeer. Ook de woon- c.q. verblijfplaats van de vader creëert niet voldoende aanknoping met de Arubaanse rechtssfeer.
Verder is het gegeven dat Justin ten tijde van het indienen van het verzoekschrift nog wel in Aruba woonde, niet doorslaggevend. Bepalend is ook hier het belang van het kind. Het gerecht acht het in dit geval in het belang van de minderjarige dat de bevoegdheid “meeverhuist” naar de bevoegde Zwitserse rechter. Immers, voor een verzochte omgangsregeling zal naar verwachting een onderzoek, in dit geval door de Raad voor de Kinderbescherming in Zwitserland, nodig zijn. Het voorgaande betekent dat het gerecht in deze zaak geen rechtsmacht heeft.

3.DE BESLISSING

Het gerecht:
verklaart zich onbevoegd van het verzoekschrift kennis te nemen,
compenseert de kosten aldus dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in dit gerecht, ter terechtzitting van dinsdag, 1 november 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.