ECLI:NL:OGEAA:2016:856

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
29 november 2016
Publicatiedatum
5 januari 2017
Zaaknummer
EJ nr. 2364 van 2016
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N.K. Engelbrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 429ba RvArt. 1:10 BWAArt. 1:12 BWAArt. 1:272 BWAArt. 1:327 BWA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bekrachtiging voorlopige toevertrouwing en teruggave minderjarige aan grootmoeder-voogdes

De zaak betreft een vordering van het openbaar ministerie tot bekrachtiging van de voorlopige toevertrouwing van een minderjarige aan de Voogdijraad, nadat de minderjarige door het OM aan het gezag van de grootmoeder-voogdes was onttrokken en geplaatst in een orthopedagogisch centrum.

De moeder van de minderjarige was overleden en de grootmoeder was door de kinderrechter belast met de voogdij. De grootmoeder en minderjarige waren naar Aruba verhuisd, waarna het OM de voorlopige toevertrouwing aan de Voogdijraad vorderde. De minderjarige gaf aan zich onveilig en verraden te voelen en wilde terug naar Nederland.

Het gerecht oordeelde dat Aruba rechtsmacht heeft en dat de voogdijmaatregel zwaarwegend is. Uit rapporten van de Voogdijraad bleek emotionele verwaarlozing en bedreiging van het welbevinden, maar de grootmoeder ontkende beschuldigingen van drugsgebruik en onveilige thuissituatie. Het gerecht vond onvoldoende bewijs voor ontzetting van de voogdij.

Daarom werd de vordering tot bekrachtiging van de voorlopige toevertrouwing afgewezen en werd de minderjarige teruggegeven aan de grootmoeder-voogdes. De beslissing werd genomen op 29 november 2016 door rechter N.K. Engelbrecht.

Uitkomst: De vordering tot bekrachtiging van de voorlopige toevertrouwing is afgewezen en de minderjarige wordt teruggegeven aan de grootmoeder-voogdes.

Uitspraak

Beschikking van 29 november 2016
behorend bij EJ nr. 2364 van 2016
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING
op vordering van
HET OPENBAAR MINISTERIE,
in Aruba,
vertegenwoordigd door de officier van justitie,
om bekrachtiging van de voorlopige toevertrouwing aan de Voogdijraad
van de minderjarige:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats].
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[grootmoeder], de grootmoeder, tevens voogdes,
gemachtigde: de advocaat mr. J.S. Croes,
DE VOOGDIJ INSTELLING JEUGDBESCHERMING OVERIJSSEL,
gemachtigde: de advocaat mr. N.S. Gravenstijn,
DE VOOGDIJRAAD,
vertegenwoordigd.

1.DE PROCEDURE

De procedure blijkt uit:
  • de vordering van het openbaar ministerie ingediend op 23 september 2016, strekkende tot bekrachtiging van de voorlopige toevertrouwing van de aan de Voogdijraad;
  • het verhoor van de minderjarige op 14 november 2016;
  • de griffiersaantekeningen van de mondelinge behandeling ter zitting van 15 november 2016, waaruit blijkt dat zijn verschenen de officier van justitie, mr. Y. Pronk, de grootmoeder bijgestaan door haar gemachtigde, en de voogdij instelling Jeugdbescherming Overijssel bij haar gemachtigde. Namens de Voogdijraad waren aanwezig mevrouw A. Flanders en mevrouw mevrouw V. Kelly.
De
2.DE FEITEN
2.1
De moeder van de minderjarige is in oktober 2015 in Nederland aan een drugsoverdosis overleden. De moeder oefende van rechtswege het gezag over de minderjarige alleen uit.
2.2
Bij beschikking van 4 februari 2016 van de kinderrechter in de Rechtbank Overijssel is de grootmoeder (onvoorwaardelijk) belast met de voogdij over de minderjarige.
2.3
Op 2 juli 2016 zijn de voogdes en de minderjarige naar Aruba verhuisd. De voogdes staat inmiddels ingeschreven in het Bevolkingsregister van Aruba.
2.4
Op 9 september 2016 heeft het openbaar ministerie de minderjarige aan het gezag van de voogdes onttrokken en voorlopig aan de Voogdijraad toevertrouwd. Sindsdien is zij geplaatst in het Orthopedagogisch Centrum (hierna: OC).
2.5
Bij beschikking van 26 september 2016 van de Rechtbank Overijssel is, op het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming te Zwolle strekkende tot voorziening in de voorlopige voogdij van de minderjarige, de Voogdij Instelling Jeugdbescherming Overijssel tijdelijk belast met de voogdij over de minderjarige.
2.6
Bij vonnis van 26 september 2016 van dit gerecht heeft de kortgedingrechter in het kort geding tussen de voogdes en de Voogdijraad, de Voogdijraad verboden uitvoering te geven aan het voornemen om de minderjarige naar Nederland te laten afreizen en de Voogdijraad geboden al datgene in het werk te stellen om te voorkomen dat de minderjarige hangende de procedure tot bekrachtiging van de toevertrouwing naar Nederland afreist.

3.DE BEOORDELING

Bevoegdheid gerecht

3.1.1
Artikel 429ba Rv bepaalt dat aan de rechter geen rechtsmacht toekomt, indien het verzoek onvoldoende aanknoping met de rechtssfeer van Aruba heeft. Van de relevante aanknopingspunten in zaken betreffende het gezag over minderjarige kinderen moet het zwaarste - en doorgaans doorslaggevend - gewicht worden toegekend aan de gewone verblijfplaats van die kinderen, zijnde het uitgangspunt in het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.
3.1.2
In dit geval gaat het om een voorlopige kinderbeschermingsmaatregel ingevolge artikel 1:272 van Pro het Burgerlijk Wetboek van Aruba (BWA), die alhier door de lokale instanties is getroffen en waarover dit gerecht dient te oordelen. Reeds op grond hiervan is dit gerecht bevoegd.
3.1.3
Voorts is ter zitting gebleken dat de voogdes en de minderjarige begin juli 2016 naar Aruba zijn verhuisd en sindsdien hier verblijven, dat zij sinds 21 augustus 2016 in Nederland zijn uitgeschreven, en dat de voogdes inmiddels alhier is ingeschreven. Ingevolge artikel 1:10, lid 1 BWA bevindt de woonplaats van een natuurlijk persoon zich te zijner woonstede, met dien verstande dat een natuurlijk persoon die hier te lande in de basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven staat, steeds vermoed wordt zijn woonstede hier te lande te hebben. Artikel 1:12 lid 1 BWA Pro bepaalt dat een minderjarige de woonplaats volgt van hem die het gezag over hem uitoefent.
Gelet hierop komt in dit geval uitsluitend aan de Arubaanse rechter rechtsmacht toe.
Het wettelijk kader
3.2
Ingevolge artikel 1:332 BWA Pro kan de officier van justitie op grond van feiten die tot ontzetting van de voogdij kunnen leiden, indien hij dit in het belang van de minderjarigen noodzakelijk acht, hen aan het gezag van de voogd onttrekken en voorlopig aan de voogdijraad toevertrouwen. Artikel 1:272, tweede tot en met vierde lid, BWA is van overeenkomstige toepassing.
Ingevolge artikel 1:272, lid 2 BWA vervalt de toevertrouwing indien het openbaar ministerie niet binnen veertien dagen van de rechter haar bekrachtiging heeft gevorderd.
Ingevolge artikel 1:272, lid 3 van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (BW) kan de rechter, indien de bekrachtiging tijdig is gevorderd, hetzij de teruggave van het kind aan zijn ouders (voogd) bevelen, hetzij een van de beschikkingen geven, bedoeld in artikel 1:271 BW Pro.
3.3
De bekrachtiging is tijdig gevorderd, zodat de toevertrouwing nog van kracht is.
3.4
Artikel 1:327 BWA Pro vormt de basis voor de kinderbeschermingsmaatregel van de ontzetting van een voogd. Deze maatregel is de zwaarste en de meest infamerende van de bestaande kinderbeschermingsmaatregelen. Door middel van deze kinderbeschermingsmaatregel kan immers een einde worden gemaakt aan het gezag van een voogd als sprake is van moedwillig plichtsverzuim of onwaardigheid de taak als opvoeder te vervullen. De ontzetting heeft derhalve een onterend en verwijtend karakter.
Op grond van het eerste lid geldt dat de ontzetting in het belang van de minderjarige noodzakelijk moet zijn. Daarnaast dient voor de ontzetting een grond te bestaan.
De gronden zijn onder andere (sub a) slecht levensgedrag of (sub b) misbruik van zijn bevoegdheid (schending van plichten door daden) of verwaarlozing van zijn verplichtingen (schending van plichten door verwijtbare nalaten).
Beoordeling
3.5
Ter beoordeling ligt vervolgens de vraag voor of in dit geval sprake is van feiten en omstandigheden die tot een voorlopige toevertrouwing van de minderjarige aan de Voogdijraad kunnen leiden als bedoeld in artikel 1:332 BWA Pro .
3.6
Het gerecht neemt bij de beoordeling het volgende in aanmerking.
3.6.1
In het rapport van de Voogdijraad van 20 september 2016 staat – voor zover hier van belang – het volgende.
Op 30 augustus 2016 heeft de Voogdijraad via de Raad voor de Kinderbescherming in Nederland (hierna: de Raad) een melding gekregen over de minderjarige. De minderjarige had de Raad te kennen gegeven zich onprettig en onveilig te voelen bij de grootmoeder-voogdes. Ze voelde zich door de grootmoeder-voogdes verraden omdat zij Nederland kennelijk metterwoon hebben verlaten om hier in Aruba te komen wonen zonder dat de grootmoeder-voogdes dit met de minderjarige had besproken. De minderjarige wil hier niet wonen en wil terug naar Nederland, naar haar vertrouwde omgeving. Tevens had de minderjarige aangegeven dat de partner van grootmoeder-voogdes een bekende drugsdealer zou zijn, dat er rare figuren bij grootmoeder-voogdes over de vloer komen en dat de (22-jarige) zoon van de grootmoeder-voogdes die ook bij de grootmoeder-voogdes in huis woont, in het bijzijn van de minderjarige drugs zou gebruiken.
De Voogdijraad heeft, na met diverse instanties in Nederland te hebben gesproken, alsmede met de minderjarige en de voogdes, geconcludeerd dat de grootmoeder de in Nederland gemaakte afspraken, inhoudende dat zij in Nederland zou blijven wonen, niet is nagekomen en daardoor haar verantwoordelijkheden en verplichtingen als voogdes niet naar behoren uitoefent en dat de minderjarige emotioneel wordt verwaarloosd. Voorts is geconcludeerd dat de veiligheid en het welbevinden van de minderjarige door het slecht levensgedrag van grootmoeder worden bedreigd.
3.6.2
In het rapport van de Voogdijraad van 14 november 2016 staat het volgende.
Volgens de minderjarige heeft de grootmoeder-voogdes haar misleid, daar de minderjarige in de veronderstelling was dat de reis naar Aruba een vakantie betrof. Eenmaal hier bleek dat grootmoeder niet van plan was terug te gaan naar Nederland. De minderjarige voelt zich bedrogen en gedwongen om op Aruba te blijven. Zij wil graag terug naar Nederland.
Voorts staat in het rapport dat er verdenkingen zijn dat de thuissituatie bij grootmoeder onveilig is nu verschillende mensen in de omgeving van grootmoeder in het drugscircuit zitten.
De Voogdijraad concludeert dat er sprake is van gebrek aan adequaat uitgevoerde opvoeding- en verzorgingstaken door grootmoeder, en een nonchalante houding van grootmoeder, die heeft geleid tot emotionele verwaarlozing en bedreigde ontwikkeling van de minderjarige.
3.6.3
Ter zitting heeft de grootmoeder-voogdes ontkend dat er bij haar vreemde mensen over de vloer komen, en dat haar partner of zoon drugs gebruiken of in drugs handelen. Volgens de grootmoeder-voogdes heeft zij met de minderjarige besproken dat zij naar Aruba zouden verhuizen, zulks blijkt ook uit de terugreisdatum van 2 december 2016 en uit de omstandigheden dat de spullen van de minderjarige in Nederland zijn opgeslagen en de huur van de woning waar zij woonden is opgezegd. Ze waren bezig met de inschrijving van de minderjarige in Aruba en het zoeken naar een geschikte school, toen de minderjarige zich in Nederland en hier bij de Voogdijraad ging beklagen over de gang van zaken, waardoor onderhavige maatregel is genomen en de minderjarige uit huis is geplaatst. Volgens de grootmoeder-voogdes wilde zij de minderjarige weghalen uit haar omgeving in Nederland, omdat dit dezelfde omgeving is waarin ook haar dochter, de moeder van de minderjarige, zat en die uiteindelijk het leven van haar dochter heeft gekost. De grootmoeder-voogdes wil voorkomen dat de minderjarige hetzelfde overkomt als wijlen haar moeder.
3.7
Dat de partner van de grootmoeder-voogdes een bekende drugsdealer zou zijn, is niet gebleken. Dat de zoon van grootmoeder-voogdes, die inmiddels niet meer bij haar in huis woont, in bijzijn van de minderjarige drugs zou gebruiken, is niet nader onderbouwd noch nader onderzocht en overigens niet gebleken.
In dit geval staat vast dat de 15-jarige minderjarige boos en verdrietig is omdat zij haar vrienden, school en vertrouwde omgeving in Nederland moest achterlaten om voortaan alhier in een voor haar nog onbekende omgeving te wonen. Zij neemt het haar grootmoeder-voogdes kwalijk dat de grootmoeder-voogdes haar in deze onwennige situatie heeft geplaatst. Dit is echter onvoldoende om te oordelen dat de grootmoeder-voogdes misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid of dat zij haar verplichtingen heeft verwaarloosd.
3.8
Gelet op het bovenstaande, alsmede op het verhandelde ter zitting, de overgelegde stukken en het minderjarigenverhoor is het gerecht van oordeel dat niet is gebleken van enige grond voor een ontzetting van de voogdij over de minderjarige. Dit betekent dat het gerecht de teruggave van de minderjarige aan de grootmoeder-voogdes zal bevelen.
3.9
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

4.DE BESLISSING

Het gerecht:
wijst de vordering af,
beveelt de teruggave van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats], aan de grootmoeder [grootmoeder].
Deze beschikking is gegeven op 29 november 2016 door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, in tegenwoordigheid van de griffier.
Inhoudsindicatie
EJ. Bekrachtiging voorlopige toevertrouwing afgewezen.